“Maar dat is toch niet eerlijk?”
We horen het nogal eens wanneer een kind buiten school extra begeleiding krijgt. Waarom krijgt dit kind extra hulp, terwijl een ander kind dat niet krijgt? Ontstaat er dan geen oneerlijk voordeel?
Op het eerste gezicht klinkt die gedachte logisch. We willen kinderen immers gelijk behandelen en voorkomen dat de één meer kansen krijgt dan de ander.
Maar precies daar begint de verwarring.
Want betekent gelijke kansen in het onderwijs dat ieder kind hetzelfde moet krijgen? Of betekent het juist dat ieder kind krijgt wat nodig is om daadwerkelijk mee te kunnen doen?
Een eenvoudige les uit een basisschoolklas maakt dat verschil verrassend duidelijk.
Gelijke kansen in het onderwijs betekenen niet hetzelfde onderwijs voor ieder kind
In het onderwijs vinden we het heel normaal dat kinderen niet allemaal precies hetzelfde nodig hebben. De ene leerling begrijpt een rekenstrategie na één uitleg, een ander heeft verlengde instructie nodig en een derde begrijpt het pas wanneer de leerkracht dezelfde stof op een andere manier aanbiedt.
Niemand zal zeggen dat die extra uitleg oneerlijk is.
We noemen dat differentiatie.
Toch verandert dat gesprek soms zodra ondersteuning van buiten school komt. Dan ontstaat ineens de vraag of het wel eerlijk is dat één leerling iets krijgt wat andere leerlingen niet krijgen.
Maar misschien stellen we dan de verkeerde vraag.
De vraag zou niet moeten zijn of ieder kind exact hetzelfde krijgt, maar of ieder kind voldoende mogelijkheden krijgt om te leren en zich te ontwikkelen.
Dat is een wezenlijk verschil.
Een pleister voor iedereen
Een lerares legde dit principe ooit op een heel eenvoudige manier uit aan haar klas.
Ze liet de kinderen verschillende klachten noemen. De één had zijn knie bezeerd, een ander had pijn aan zijn vinger en weer een ander had hoofdpijn.
Vervolgens gaf ze iedereen dezelfde behandeling: een pleister op precies dezelfde plek.
Eerlijk toch?
Iedereen kreeg immers exact hetzelfde.
De kinderen voelden meteen dat er iets niet klopte. Een pleister op je arm helpt niet tegen hoofdpijn en een pleister op je vinger heeft weinig zin wanneer je knie pijn doet.
De oplossing was gelijk.
De behoefte niet.
En precies daarin zit de kern.
Eerlijk betekent niet altijd dat iedereen hetzelfde krijgt.
Dat begrijpen kinderen vaak binnen een paar minuten. Toch blijkt het in het onderwijs soms een stuk ingewikkelder zodra het gaat over ondersteuning, maatwerk of begeleiding buiten school.
Wat is eerlijk voor een kind dat vastloopt?
Stel dat een leerling al maanden moeite heeft met spelling.
Er is extra geoefend, opnieuw uitgelegd en nog meer herhaald. Toch beklijft het niet. Ondertussen ziet het kind klasgenoten verdergaan, dalen de resultaten en groeit de overtuiging: ik kan dit blijkbaar niet.
Dan is het weinig zinvol om alleen te vragen hoeveel extra oefening er nog nodig is.
Misschien moeten we een andere vraag stellen:
Waarom werkt de huidige aanpak voor dit kind niet?
Daar begint maatwerk.
Niet bij lagere verwachtingen en ook niet bij het voortrekken van een kind, maar bij zorgvuldig kijken naar wat er gebeurt. Wat lukt wel? Waar loopt het vast? Wat hebben we al geprobeerd? En is er misschien een andere manier waarop deze leerling de informatie beter kan verwerken?
Dat is wat mij betreft een belangrijk onderdeel van gelijke kansen in het onderwijs.
Want extra ondersteuning geven betekent niet automatisch dat je een kind een voordeel geeft. Soms probeer je alleen een belemmering weg te nemen die andere kinderen niet hebben.
Een bril noemen we toch ook niet oneerlijk?
Denk aan een kind dat het bord niet goed kan zien.
Niemand zal zeggen:
“Jij mag geen bril, want de andere kinderen hebben die ook niet.”
We begrijpen intuïtief dat die bril het kind geen oneerlijk voordeel geeft. De bril zorgt ervoor dat het toegang krijgt tot iets wat voor een ander kind zonder hulpmiddel al toegankelijk is.
Bij leren ligt dat soms ingewikkelder, maar het principe is vergelijkbaar.
Het kan gaan om extra instructie, aangepast materiaal, meer tijd of een andere manier van uitleggen. En soms kan externe begeleiding een aanvullende rol spelen wanneer een kind ondanks de ondersteuning op school blijft vastlopen.
Natuurlijk betekent dat niet dat iedere vorm van externe hulp automatisch passend of noodzakelijk is. Goed onderwijs en passende ondersteuning horen in eerste instantie binnen school beschikbaar te zijn.
Maar als een leerling ondanks die ondersteuning blijft vastlopen, helpt het niet om externe hulp af te wijzen alleen omdat een ander kind die hulp niet krijgt.
Dan verschuift de aandacht van het kind naar het principe.
Terwijl de betere vraag nog steeds is:
Wat heeft dit kind nodig om weer tot leren te komen?
Maar wat als niet iedere ouder externe hulp kan betalen?
Wanneer passende ondersteuning alleen beschikbaar is voor gezinnen die daarvoor kunnen betalen, ontstaat er een terecht probleem rond kansengelijkheid. Want ieder kind dat extra hulp nodig heeft, zou die hulp moeten kunnen krijgen, ongeacht de financiële mogelijkheden van zijn ouders.
Maar de oplossing voor die ongelijkheid kan nooit zijn dat we een kind de hulp onthouden die zijn ouders wél kunnen organiseren en betalen.
Het probleem is niet dat het ene kind hulp krijgt. Het probleem is dat het andere kind die noodzakelijke hulp mogelijk niet kan krijgen.
Wanneer een school externe begeleiding tegenhoudt omdat niet alle ouders die begeleiding kunnen betalen, wordt het verschil tussen kinderen daarmee niet kleiner. Het kind dat vastloopt, krijgt alleen niet de ondersteuning die op dat moment beschikbaar is.
De vraag zou daarom niet moeten zijn: “Is het eerlijk dat deze ouders extra hulp kunnen regelen?”
De veel belangrijkere vraag is: “Hoe zorgen we ervoor dat ieder kind dat extra ondersteuning nodig heeft, toegang krijgt tot passende hulp?”
Want gelijke kansen in het onderwijs creëren we niet door beschikbare hulp tegen te houden. We creëren ze door te zoeken naar manieren waarop meer kinderen de ondersteuning kunnen krijgen die zij nodig hebben.
Externe hulp hoeft geen concurrent van school te zijn
Soms ontstaat er nog een andere gevoeligheid.
Externe begeleiding kan worden ervaren alsof daarmee impliciet wordt gezegd dat school tekortschiet.
Maar dat hoeft helemaal niet zo te zijn.
Een leerkracht werkt met een hele klas, binnen een rooster, een methode, leerdoelen en beperkte tijd. Tegelijk zitten er in die klas kinderen die iets nodig hebben wat binnen die structuur niet altijd volledig geboden kan worden.
Een externe professional hoeft dan geen concurrent te zijn.
De vraag hoeft niet te zijn:
Wie doet het goed?
Veel interessanter is:
Wat zien we bij dit kind en hoe kunnen we elkaar aanvullen?
Daar ligt wat mij betreft de winst.
In ons artikel over nevenactiviteiten in het onderwijs en een eigen praktijk gaan we uitgebreider in op die samenwerking en de verschillende rollen die professionals daarin kunnen hebben.
Soms heeft een kind niet méér nodig, maar iets anders
Dit is misschien wel het belangrijkste onderscheid.
Wanneer een kind iets niet begrijpt, is onze eerste reactie vaak om meer te oefenen. Meer herhalen. Nog een keer uitleggen.
Dat kan werken.
Maar niet altijd.
Als dezelfde aanpak na tien keer nog steeds onvoldoende resultaat geeft, is het de moeite waard om niet alleen te vragen hoeveel extra oefening nodig is, maar ook of de manier van aanbieden wel aansluit.
Vergelijk het met een route.
Wanneer je telkens dezelfde verkeerde afslag neemt, heeft het weinig zin om dezelfde route nog een keer te rijden, alleen wat langzamer.
Soms moet je terug en een andere weg proberen.
Zo kan het ook zijn met leren.
Een kind kan vastlopen bij lezen, spelling, rekenen of automatiseren, terwijl een andere manier van aanbieden ineens wél aansluit.
Daarover lees je meer in ons artikel over waarom sommige kinderen anders moeten leren.
Welke vraag zouden we op school wél moeten stellen?
Misschien begint het gesprek over gelijke kansen in het onderwijs met andere vragen.
Niet:
“Waarom krijgt dit kind iets extra’s?”
Maar:
“Waarom heeft dit kind iets extra’s nodig?”
Niet:
“Waarom mag deze leerling het anders doen?”
Maar:
“Wat gebeurt er als we blijven doen wat nu niet werkt?”
En uiteindelijk:
“Wat heeft dit kind nodig om zich te kunnen ontwikkelen?”
Dat is geen pleidooi om regels los te laten of ieder kind een eigen onderwijsprogramma te geven.
Het is wel een uitnodiging om verschil niet meteen als oneerlijk te zien.
Want kinderen zijn niet hetzelfde.
Hun ondersteuningsbehoeften dus ook niet.
Checklist: werken we echt aan gelijke kansen?
Een paar vragen om mee te nemen naar een leerlingbespreking of teamoverleg:
- Kijken we naar wat dit specifieke kind nodig heeft?
- Verwarren we gelijke behandeling soms met gelijke kansen?
- Onderzoeken we waarom de huidige ondersteuning onvoldoende werkt?
- Durven we een andere aanpak te proberen wanneer meer van hetzelfde niet helpt?
- Zien we externe begeleiding als concurrentie of ook als mogelijke aanvulling?
- Hoe kunnen school, ouders en professionals beter samenwerken rond het kind?
Niet iedere vraag heeft meteen een eenvoudig antwoord.
Maar het gesprek verandert wel zodra we ze gaan stellen.
Gelijke kansen beginnen met verschillen durven zien
Dan komen we weer terug bij die klas en die pleisters.
Je kunt ieder kind dezelfde pleister geven en zeggen:
“Zo, nu is het eerlijk.”
Of je kunt eerst kijken waar het pijn doet.
Dat tweede vraagt meer aandacht en soms ook meer maatwerk.
Maar misschien is dat juist de kern van gelijke kansen in het onderwijs.
Niet ieder kind hetzelfde geven.
Wel ieder kind serieus nemen in wat het nodig heeft om te leren, groeien en mee te doen.
Wil jij kinderen helpen die iets anders nodig hebben?
Misschien zie je ze dagelijks in je klas of praktijk. Kinderen waarvan je voelt: er zit veel meer in, maar met de gebruikelijke aanpak komt het er niet uit.
In de opleiding tot Kernvisiecoach leer je hoe je kinderen die vastlopen op een andere manier kunt begeleiden. Je krijgt praktische handvatten om niet alleen te zien dát een kind iets anders nodig heeft, maar ook te weten wat je kunt doen.
Want gelijke kansen beginnen met verschillen durven zien.
En het verschil maken begint met weten hoe.