Steeds meer onderwijsprofessionals starten naast hun baan een eigen praktijk.
Als coach.
Als remedial teacher.
Als specialist in leren.
Als begeleider van kinderen die vastlopen op school.
Niet omdat ze willen concurreren met school.
Niet omdat ze het beter denken te weten dan iedereen.
Maar omdat ze dagelijks zien dat sommige kinderen meer nodig hebben dan extra instructie, herhaling of een nieuw handelingsplan.
Toch roept zo’n eigen praktijk naast een baan in het onderwijs of bij een samenwerkingsverband regelmatig vragen op.
Mag dit wel?
Is dit geen nevenactiviteit?
Is er sprake van belangenverstrengeling?
Is een eigen praktijk concurrerend met school of het samenwerkingsverband?
Dat zijn begrijpelijke vragen.
Maar soms lijkt de energie vooral te gaan naar het controleren van professionals die kinderen willen helpen.
Terwijl ondertussen veel kinderen wachten.
Op passende hulp.
Op iemand die anders kijkt.
Op een aanpak die wél binnenkomt.
En dat wringt.
Wat zijn nevenactiviteiten in het onderwijs?
Nevenactiviteiten zijn werkzaamheden die iemand naast zijn of haar baan uitvoert.
Dat kan betaald zijn.
Dat kan onbetaald zijn.
Dat kan een eigen praktijk zijn.
Of vrijwilligerswerk, bestuurswerk of losse opdrachten.
Voor onderwijsprofessionals kan een eigen praktijk dus inderdaad een nevenactiviteit zijn.
Ook wanneer die praktijk volledig buiten werktijd plaatsvindt.
Ook wanneer de professional nog maar net begint.
Ook wanneer het gaat om enkele kinderen per maand.
Veel scholen, besturen en samenwerkingsverbanden hebben afspraken over nevenactiviteiten opgenomen in een arbeidsovereenkomst, personeelshandboek, cao of integriteitscode.
Een werkgever mag daarom meestal vragen om nevenactiviteiten te melden.
Dat is op zichzelf niet vreemd.
Een werkgever wil kunnen beoordelen of de werkzaamheden passen naast de functie. Daarbij gaat het vaak om vragen rondom integriteit, belangenverstrengeling, vertrouwelijkheid, werkbelasting en mogelijke concurrentie.
Tot zover is er weinig mis.
Zorgvuldigheid is belangrijk.
Maar zorgvuldigheid mag geen systeemkramp worden.
Wanneer wordt zorgvuldigheid systeemkramp?
Er lopen kinderen rond met forse leerachterstanden.
Kinderen die al jaren horen dat ze beter hun best moeten doen.
Kinderen die extra instructie krijgen, maar nog steeds niet tot leren komen.
Kinderen die toetsen maken waarop vooral zichtbaar wordt wat ze níet kunnen.
En soms zegt school dan:
“We zijn handelingsverlegen.”
Dat klinkt netjes.
Bijna zorgvuldig.
Maar voor een kind betekent het vaak iets anders.
We weten het niet meer.
We doen nog wat binnen het protocol past.
En ondertussen schuift de tijd door.
Dan komt er soms een professional die buiten de lijntjes durft te kijken.
Een leerkracht.
Een intern begeleider.
Een rekenspecialist.
Een kindercoach.
Een onderwijsprofessional die een eigen praktijk start om kinderen verder te helpen.
Niet om school te ondermijnen.
Niet om kinderen bij school weg te trekken.
Niet om concurrent te worden van het systeem.
Maar omdat er kinderen zijn die nú hulp nodig hebben.
En dan gaat de aandacht ineens niet naar de vraag:
Hoe zorgen we dat dit kind weer leert?
Maar naar:
Mag jij dit wel doen?
Is dit geen nevenactiviteit?
Is dit niet concurrerend?
Past dit binnen de integriteitscode?
Moet het bestuur hier iets van vinden?
Natuurlijk moeten die vragen soms gesteld worden.
Maar als die vragen belangrijker worden dan het kind, zijn we iets kwijtgeraakt.
Is een eigen praktijk naast schoolwerk concurrerend?
Een eigen praktijk is niet automatisch concurrerend met een baan in het onderwijs.
Dat hangt af van de rol, de doelgroep, de opdrachtgever en de manier waarop de professional grenzen bewaakt.
Een leerkracht die onder schooltijd leerlingen uit haar eigen klas via haar praktijk begeleidt, begeeft zich op glad ijs.
Een specialist die ouders vanuit haar functie actief naar haar eigen praktijk stuurt, moet zich afvragen of dat zuiver is.
Een medewerker van een samenwerkingsverband die als zelfstandige werkt met leerlingen waarbij zij ook betrokken is bij onderzoek, advies of besluitvorming, krijgt terecht vragen.
Daar moet je helder over zijn.
Maar dat is iets anders dan zeggen dat iedere eigen praktijk naast een onderwijsbaan verdacht is.
Een eigen praktijk kan ook aanvullend zijn.
Bijvoorbeeld wanneer ouders op eigen initiatief begeleiding zoeken voor hun kind.
Wanneer de begeleiding buiten werktijd plaatsvindt.
Wanneer er geen gebruik wordt gemaakt van dossiers, contacten of informatie vanuit de baan.
Wanneer de professional geen leerlingen begeleidt waarbij zij vanuit haar functie betrokken is.
Wanneer duidelijk is dat de praktijk losstaat van de werkgever.
Dan is er sprake van een andere context.
De baan in loondienst is de officiële route binnen school of samenwerkingsverband.
De eigen praktijk is particuliere, individuele begeleiding buiten die organisatie.
Dat zijn niet automatisch concurrenten.
Het zijn eerder twee verschillende ingangen naar hetzelfde doel:
een kind dat weer verder kan.
Belangenverstrengeling voorkomen: daar begint het
Laten we het niet kleiner maken dan het is.
Belangenverstrengeling is een reëel onderwerp.
Een professional met een eigen praktijk moet zorgvuldig werken.
Dus ja:
Geen leerlingen uit je eigen klas via je praktijk begeleiden.
Geen ouders werven via je functie.
Geen dossiers of interne informatie gebruiken.
Geen dubbele pet opzetten in hetzelfde traject.
Geen verwarring laten ontstaan over namens wie je spreekt.
Geen adviezen geven vanuit je praktijk over besluiten waarbij je vanuit je baan betrokken bent.
Dat is logisch.
Daar hoef je geen drama van te maken.
Dat kun je gewoon helder afspreken.
Sterker nog: professionals die hun eigen praktijk serieus nemen, willen dat meestal ook.
Zij willen niet rommelen met rollen.
Zij willen niet stiekem werken.
Zij willen juist zorgvuldig zijn.
Het probleem zit dus niet in het maken van afspraken.
Het probleem zit in de reflex om initiatief eerst verdacht te maken.
Waarom kinderen geen boodschap hebben aan systeemangst
Een kind met een rekenachterstand denkt niet:
Gelukkig wordt mijn casus zorgvuldig bestuurlijk beoordeeld.
Een kind met faalangst denkt niet:
Fijn dat er eerst helderheid komt over nevenwerkzaamheden.
Een kind dat elke dag buikpijn heeft van school denkt niet:
Wat goed dat de integriteitscode wordt toegepast.
Dat kind wil iets veel eenvoudigers.
Iemand die mij begrijpt.
Iemand die ziet waar het misgaat.
Iemand die mij helpt leren op een manier die bij mij past.
Iemand die mij laat voelen dat ik niet dom ben.
Daar zou de aandacht naartoe moeten.
Niet naar het wantrouwen van professionals die in hun vrije tijd kinderen willen begeleiden.
Maar naar de vraag:
Hoe zorgen we dat kinderen sneller de juiste hulp krijgen?
Eigen praktijk als coach: bedreiging of kans?
Misschien raken scholen en samenwerkingsverbanden soms zo gespannen omdat een eigen praktijk iets zichtbaar maakt.
Namelijk dat er kinderen zijn die binnen het huidige systeem niet voldoende geholpen worden.
Dat is ongemakkelijk.
Want niemand wil tekortschieten.
Geen leerkracht.
Geen intern begeleider.
Geen schoolleider.
Geen samenwerkingsverband.
En toch gebeurt het.
Niet omdat mensen niet betrokken zijn.
Niet omdat professionals hun best niet doen.
Maar omdat het systeem vaak traag, vol en strak georganiseerd is.
Er zijn protocollen.
Er zijn wachttijden.
Er zijn criteria.
Er zijn overlegstructuren.
Er zijn beperkte uren.
Er zijn budgetten.
Er zijn methodes die gevolgd moeten worden.
En kinderen passen daar niet altijd netjes in.
Soms is er iemand nodig die naast het kind gaat zitten en vraagt:
Hoe werkt leren bij jou?
Wat gebeurt er in je hoofd?
Waar blokkeer je?
Wat heb jij nodig om de stap wel te maken?
Dat is geen aanval op school.
Dat is een aanvulling op wat school probeert te doen.
Rolzuiver werken in onderwijs en coaching
De sleutel ligt in rolzuiver werken.
Rolzuiver werken betekent dat duidelijk is vanuit welke rol je handelt.
Ben je op dat moment werknemer van school of samenwerkingsverband?
Of ben je zelfstandig begeleider in je eigen praktijk?
Die rollen mogen niet door elkaar lopen.
Voor onderwijsprofessionals met een eigen praktijk betekent dit bijvoorbeeld:
- je werkt in je praktijk alleen buiten werktijd
- je gebruikt geen informatie uit je functie
- je begeleidt geen leerlingen waarbij je vanuit je werk betrokken bent
- je werft geen cliënten via je werkgever
- je bent helder naar ouders over je rol
- je stemt bij mogelijke overlap vooraf af met je leidinggevende
- je houdt je praktijkadministratie volledig gescheiden
- je gebruikt geen materialen, systemen of communicatiekanalen van je werkgever
Dat zijn geen onredelijke grenzen.
Integendeel.
Ze maken het mogelijk om zorgvuldig naast elkaar te laten bestaan wat elkaar niet hoeft te bijten.
De vraag die we te weinig stellen
De vraag is vaak:
Is deze coach concurrerend?
Maar misschien is dat niet de beste vraag.
Een betere vraag is:
Waarom ervaren we een professional die kinderen wil helpen als concurrent?
Als het doel werkelijk hetzelfde is, namelijk kinderen laten groeien, leren en weer meedoen, dan zou samenwerking logischer zijn dan wantrouwen.
Dan zou de eerste reactie niet moeten zijn:
Hoe houden we dit tegen?
Maar:
Hoe zorgen we dat dit zorgvuldig kan?
Dat is een fundamenteel andere houding.
De ene houding sluit af.
De andere onderzoekt.
De ene houding beschermt vooral het systeem.
De andere kijkt eerst naar het kind.
Van handelingsverlegen naar handelingsbereid
Het woord handelingsverlegen hoor je vaak in het onderwijs.
Het klinkt professioneel.
Maar het is ook een gevaarlijk comfortabel woord.
Want als we niet oppassen, wordt handelingsverlegenheid een eindstation.
We weten het niet.
We kunnen het niet.
We hebben het geprobeerd.
Het past niet binnen onze mogelijkheden.
Maar kinderen hebben weinig aan handelingsverlegenheid.
Zij hebben handelingsbereidheid nodig.
De bereidheid om opnieuw te kijken.
Om anders te kijken.
Om hulp van buiten niet direct als bedreiging te zien.
Om professionals met initiatief niet weg te zetten als risico.
Om samen te zoeken naar wat wél werkt.
Want dat is uiteindelijk waar passend onderwijs over zou moeten gaan.
Niet over passende formulieren.
Niet over passende routes.
Niet over passende vergaderingen.
Maar over passende hulp.
Wat werkgevers wél mogen vragen
Een school of samenwerkingsverband mag best vragen stellen.
Sterker nog: dat is logisch.
Een werkgever mag willen weten:
- wat de nevenactiviteit inhoudt
- in welke regio de praktijk actief is
- welke doelgroep wordt begeleid
- hoeveel tijd de praktijk vraagt
- of er overlap is met de functie
- hoe belangenverstrengeling wordt voorkomen
- hoe vertrouwelijkheid wordt gewaarborgd
Daar is niets mis mee.
Maar de toon maakt uit.
Er is een groot verschil tussen:
Leg eens uit hoe je dit zorgvuldig afbakent.
En:
Bewijs eerst maar eens dat jij geen probleem bent.
De eerste houding nodigt uit tot transparantie.
De tweede zet een betrokken professional in de verdachtenbank.
Dat is zonde.
En het helpt kinderen niet.
Wat onderwijsprofessionals met een eigen praktijk kunnen doen
Voor professionals die naast hun baan een eigen praktijk willen starten, is het verstandig om niet te wachten tot er spanning ontstaat.
Meld je nevenactiviteit zorgvuldig wanneer dat gevraagd wordt of wanneer dit in de regels van je werkgever staat.
Beschrijf duidelijk:
- wat je doet in je functie
- wat je doet in je praktijk
- welke doelgroep je begeleidt
- in welke regio je werkt
- hoeveel tijd je eraan besteedt
- hoe je voorkomt dat rollen door elkaar lopen
- welke cliënten of leerlingen je juist niet aanneemt
- hoe je omgaat met informatie, privacy en vertrouwelijkheid
Dat is niet buigen.
Dat is professioneel communiceren.
En wat scholen en samenwerkingsverbanden kunnen doen
Ook werkgevers hebben hierin een keuze.
Zij kunnen initiatief wantrouwen.
Of zij kunnen het zorgvuldig begeleiden.
Natuurlijk moeten zij waken voor belangenverstrengeling.
Maar ze kunnen ook erkennen dat veel onderwijsprofessionals een eigen praktijk starten vanuit betrokkenheid. Vanuit vakmanschap. Vanuit de wens om kinderen die vastlopen verder te helpen.
Een professional met initiatief is niet automatisch een risico.
Soms is het precies het soort professional dat het onderwijs hard nodig heeft.
Iemand die blijft zoeken.
Die zich blijft ontwikkelen.
Die ziet dat een leerprobleem niet altijd een kindprobleem is.
Die begrijpt dat achterstanden soms groter worden doordat we blijven aanbieden wat voor dit kind niet werkt.
Zulke mensen moet je niet bij voorbaat afremmen.
Die moet je serieus nemen.
Maak heldere afspraken.
Bewaak rollen.
Voorkom belangenverstrengeling.
Maar gebruik regels niet als hek om betrokken professionals buiten te houden.
Veelgestelde vragen over nevenactiviteiten in het onderwijs
Mag je als leerkracht of onderwijsprofessional een eigen praktijk starten naast je baan?
Dat kan vaak wel, maar je moet rekening houden met de afspraken in je arbeidsovereenkomst, cao, personeelshandboek of integriteitscode. Vaak moet je nevenactiviteiten melden bij je werkgever.
Is een eigen praktijk naast een baan in het onderwijs altijd belangenverstrengeling?
Nee. Belangenverstrengeling ontstaat vooral wanneer rollen door elkaar lopen. Bijvoorbeeld wanneer je leerlingen begeleidt waarbij je ook vanuit je functie betrokken bent, wanneer je ouders werft via je werk of wanneer je interne informatie gebruikt voor je praktijk.
Wanneer is een eigen praktijk concurrerend met school of samenwerkingsverband?
Dat hangt af van de situatie. Een praktijk is niet automatisch concurrerend wanneer ouders zelf begeleiding zoeken, de begeleiding buiten werktijd plaatsvindt en de praktijk losstaat van de functie in loondienst.
Hoe voorkom je belangenverstrengeling?
Werk buiten werktijd. Gebruik geen dossiers of informatie vanuit je baan. Begeleid geen leerlingen uit je eigen klas, caseload of onderzoekstraject. Werf geen cliënten via je werkgever. Wees helder naar ouders en scholen over je rol.
Wat betekent rolzuiver werken?
Rolzuiver werken betekent dat duidelijk is vanuit welke rol je handelt. Je bent óf werknemer binnen school of samenwerkingsverband, óf zelfstandig begeleider in je eigen praktijk. Die rollen mogen niet door elkaar lopen.
Tot slot
Er is al genoeg tekort in het onderwijs.
Tekort aan tijd.
Tekort aan handen.
Tekort aan specialisten.
Tekort aan ruimte voor kinderen die niet in het gemiddelde plaatje passen.
Laten we dan stoppen met energie lekken aan systeemkramp.
Ja, maak afspraken.
Ja, bewaak grenzen.
Ja, voorkom belangenverstrengeling.
Maar laat het uitgangspunt niet wantrouwen zijn.
Laat het uitgangspunt zijn:
Hoe zorgen we dat kinderen die vastlopen sneller passende hulp krijgen?
Want elk uur dat we besteden aan het wantrouwen van mensen die willen helpen, besteden we niet aan kinderen die hulp nodig hebben.
En die kinderen wachten al lang genoeg.