Nathanja Boon van Natuurtalent over haar 10 jaar Kernvisie methode

Ervaringen van een Kernvisiecoach

| Kernvisiecoach Nathanja Boon

“Nathanja, zou je daar een stukje over willen schrijven?“
“Eh, waarover precies?”
“Nou dat wat je net vertelt, daar lopen meer coaches tegen aan.”

Ik heb Wim aan de telefoon om iets terug te koppelen over het traject van een coachee. Wim geeft aan dat ik al een tijdje meedraai als coach en dat je dan steeds beter leert zien wat voor type kind je voor je hebt zitten.
Inderdaad, dit jaar is het 10 jaar geleden dat ik startte met de opleiding tot Kernvisiecoach en sindsdien werk ik met veel plezier als coach en eigenlijk uitsluitend met de Kernvisie methode. “Weet je Wim, ik heb me de afgelopen 10 jaar geen moment verveeld en daar was ik wel heel bang voor toen ik de opleiding deed”, flap ik eruit.

Om even een beeld te schetsen: ik ben opgeleid tot vaktherapeut beeldend. Uiteraard werk je dan wel met een hulpvraag en doelstelling, maar het is ook de kunst om volledig in te spelen op wat er tijdens de sessie gebeurt. De therapeut kiest het materiaal, de opdrachten, alles volledig afgestemd op wat de cliënt nodig heeft. Vervolgens heb ik jarenlang als studiebegeleidster gewerkt op een huiswerkinstituut: het begeleiden van tieners van 1 mavo tot en met 6 vwo. Het aanleren van studievaardigheden en het geven van uitleg waar nodig. Heel afwisselend werk.

Dus ik kreeg het best wel een beetje benauwd toen ik het didactische deel van de opleiding volgde. Alle stappen lagen vast. Ik veerde nog even op bij de uitleg over het bioscoopscherm, daar kon ik wel wat creatiefs mee, maar Wim haastte zich om dat idee de kop in te drukken. Waar ik een volledige bioscoopzaal voor me zag met speakers, licht- en geluidseffecten, werd dit beeld teruggebracht naar enkel het scherm, dat was effectiever. Zucht…. Waar was ik aan begonnen…. Dit was helemaal niet leuk, hier kon ik toch helemaal niets van mezelf in kwijt.

10 jaar later kan ik zeggen dat het werken als Kernvisiecoach absoluut niet saai is. Ik heb nooit het gevoel gehad dat ik gedachteloos een programma aan het afdraaien was. Nadat we het telefoongesprek hebben beëindigd, denk ik er nog over na. Nu in gedachten terugkerend naar die opleidingsdagen en waar ik vandaan kwam qua opleiding en werkervaring begrijp ik wel mijn zorgen van destijds. Inmiddels weet ik dus dat die zorgen ongegrond waren. Maar hoe kan dat nou eigenlijk? De feiten zijn hetzelfde gebleven. De Kernvisie methode is een vrij strikte methode, waarin precies vaststaat welke stof je aanbiedt en ook in welke volgorde.

Ik ben daar natuurlijk wel eens van afgeweken. Niet uit eigenwijsheid, maar om een ouder ter wille willen zijn: “Mijn dochter heeft volgende week een toets breuken, kunnen we daar donderdag mee aan de slag gaan, ze is er zo nerveus voor.” Ik kan je vertellen: het werkt niet. Ook het ‘leuker’ maken van het traject zet niet echt zoden aan de dijk, is mijn ervaring. En het grappige is dat een kind en de ouder zelf zelden vragen of het niet leuker kan. Het is zo duidelijk wat er gedaan wordt en wat het effect daarvan is. Geen franje, less is more.

Er is één uitzondering: het hoogbegaafde kind. Die vinden het wel snel ‘saai’. Tijdens de sessie blijven ze bij de les, maar dat dagelijkse oefenen, dat is wel een ding voor ze. Zo had ik een moeder van een hoogbegaafd kind aan de telefoon, een week na de eerste sessie: “O ja, nu ik je toch spreek, dat dagelijks oefenen, heb je nog iets anders, want hij vindt ‘t zo saai.”
Mooi zo! Een uitgelezen kans om je kind dagelijks heel even te laten oefenen met routine, doorzetten en dingen doen die nodig zijn, maar niet perse leuk. Daar gaat hij de rest van zijn leven lol van hebben. En zo geschiedde. En hij kwam er achter waarom hij het deed, want zijn cijfers schoten omhoog.

Waarom is dit werk voor mij als coach nog steeds zo boeiend?

Geen traject is hetzelfde

Elk kind is anders, elke ouder is anders, de hulpvraag verschilt en hoe lang het probleem al bestaat. Eigenlijk staat alleen de oplossing vast. Daarnaast hebben de kinderen vaak een goed gevoel voor humor en ik sta regelmatig versteld van de manieren die kinderen zichzelf hebben aangeleerd om tot een goede oplossing te komen.

Het gedachtegoed is nieuw voor de ouders

De ouder die zich aanmeldt heeft vaak al een enorme zoektocht achter de rug. Gelukkig wordt de Kernvisie methode steeds bekender, maar de inzichten die je de ouder en het kind biedt zijn vaak relatief nieuw voor hen. Je ziet hoe dingen op zijn plek vallen voor de ouder, en niet zelden niet alleen met betrekking tot hun kind, maar ook tot zichzelf en hun eigen schoolcarrière. Dat is toch wel anders dan bij een reguliere bijles wiskunde bijvoorbeeld: dan weet elke ouder wel ongeveer wat te verwachten.

Jij bent niet dom

Nog mooier is het om het kind zelf het inzicht te geven dat de tegenvallende resultaten niets te maken hebben met de intelligentie van het kind, maar aan de manier waarop de stof wordt aangeboden. De ontdekking van het kind dat leren op een andere manier wèl lukt en dat daardoor het zelfvertrouwen van het kind kan gaan herstellen, dat is goud. Daarnaast kun je als coach het kind bewust maken van de talenten die er achter ‘het leerprobleem’ schuilen: het out of the box denken, verbanden kunnen leggen, conceptueel denken. Daar komt in de toekomst steeds meer vraag naar.

De effectiviteit

Ik vind de Kernvisie methode bijzonder effectief. Er is al zo snel resultaat zichtbaar, zowel in de cijfers als in het welbevinden van de leerling. Je ziet als coach dat je een verschil maakt met wat je aanbiedt en dat verveelt nooit.

Variatie in doelgroep

Hoe het werkt weet ik niet, maar de hulpvraag van leerlingen die aangemeld worden lijken in periodes een thema te hebben. Zo heb ik een jaar gehad dat ik veelal kinderen uit groep 3 en 4 aangemeld kreeg, een half jaar later waren het weer enkel pubers uit 2 havo/vwo. Het thema is duidelijk even faalangst of fixed mindset en een jaar later weer hoogbegaafdheid. Voor mij als coach telkens weer een nieuw gebied om me in in te lezen, informatie op te zoeken en in te bekwamen. Daarnaast blijf je – ook na 10 jaar – situaties tegenkomen die vragen oproepen. Waar je als coach research voor moet doen om antwoorden te vinden. Ook als coach blijf ik kennis vergaren, groeien en ontwikkelen en persoonlijk beleef ik daar veel plezier aan.

Wat kan ik wel kwijt in het traject?

Waar ik dan voor mijn gevoel minder vrijheid heb in wat je in een sessie gaat doen en wat je behandelt, kan ik toch genoeg van mezelf kwijt in de methode: het is – binnen de vaste kaders van het welbekende boekje- toch ook een zorg op maat traject. Wat doe je als het kind de instructies niet goed oppakt? Hoe zorg je dat het kind op de juiste manier visualiseert? Hoe kun je de stof uitleggen op een manier die het kind wel oppakt? Hoe houd je het kind geboeid en betrokken bij wat je te vertellen hebt? Daar liggen de uitdagingen en komt je expertise om de hoek kijken.

Terwijl we op de basisschool allemaal min of meer op dezelfde manier hebben leren schrijven, hebben we toch allemaal een eigen handschrift. En zo is het wat mij betreft ook met de Kernvisie methode, we krijgen ook hier allemaal dezelfde instructies mee, maar je persoonlijkheid maakt jou als coach toch uniek.

Ach ja en die creativiteit kan ik ook in andere dingen wel kwijt. Misschien mag ik eens een stukje schrijven voor iemand :).

Nathanja Boon werkt al 10+ jaar succesvol als Kernvisiecoach vanuit haar eigen praktijk Natuurtalent in Amersfoort.

Over de schrijver

Gastauteurs

Op Leertalent delen professionals en ervaringsdeskundigen hun kennis, ervaringen en visie op leren en ontwikkelen.

Onze gastauteurs schrijven vanuit hun eigen vakgebied of persoonlijke betrokkenheid. Daardoor bieden hun artikelen aanvullende perspectieven op leerproblemen, onderwijs, begeleiding en kinderen die anders leren.

Doolhof

Over de schrijver

Deze pagina is de weg even kwijt

Deze pagina had blijkbaar andere plannen. Misschien is hij verhuisd, heeft iemand de route aangepast of ben je via een oude link hier terechtgekomen.

Gelukkig hoef jij niet mee te verdwalen.

Via de snelgids vind je snel je weg in de verschillende thema’s van onze artikelen.

En wie weet was dit omweggetje nog ergens goed voor.

Over de schrijver

Opleiding kindercoach leerproblemen: wat als faalangst niet het echte probleem is?

“Help! Ik sta met mijn rug tegen de muur en met mijn handen in het haar.”

Zo begon een mail die ik onlangs ontving van een moeder. Haar zoon is 9 jaar en zit in groep 5. School is, zoals hij het zelf noemt, een nachtmerrie geworden.

Hij is onzeker en heeft in de loop der jaren faalangst ontwikkeld. Naar school gaan is iedere ochtend een enorme opgave en eenmaal op school kunnen zijn emoties hoog oplopen. Hij wil weg. En als hij wordt tegengehouden, kan hij zelfs gaan schoppen of slaan.

Tegelijkertijd zien zijn ouders iets anders. Hij heeft moeite met de leerstof. Vooral rekenen frustreert hem enorm.

“Ik ben dom.”

“Ik kan niks.”

School denkt aan testen. Er wordt gesproken over de mogelijkheid van schorsing als zijn gedrag zo doorgaat. En zijn ouders? Die willen vooral hun zoon terug. Het kind dat niet iedere dag bang hoeft te zijn voor wat er op school gaat gebeuren.

Dit is een situatie die je als kindercoach zomaar in je praktijk kunt tegenkomen. Een kind wordt bij je aangemeld vanwege faalangst, onzekerheid, boosheid, motivatieproblemen of gedrag. Logisch dat je daarmee aan de slag gaat.

Maar er is één vraag die we niet mogen vergeten:

Wat als de faalangst niet het echte probleem is?

Wat als een kind onzeker wordt doordat het iedere dag opnieuw ervaart dat iets op school niet lukt? En wat als je als kindercoach wel weet hoe je met de faalangst aan de slag kunt, maar niet goed weet wat je moet doen met het stuk daaronder?

Dan kan een opleiding kindercoach leerproblemen een waardevolle verdieping zijn. De Opleiding tot Kernvisiecoach richt zich precies op dat snijvlak. Je leert kijken naar leerproblemen én naar de sociaal-emotionele belemmeringen die daarmee samen kunnen gaan.

Je begeleidt de faalangst, maar wat als die steeds terugkomt?

Veel kindercoaches werken met kinderen die onzeker zijn, bang zijn om fouten te maken of weinig vertrouwen hebben in zichzelf. Juist op dat sociaal-emotionele vlak kun je als kindercoach veel betekenen. Je kunt een kind leren omgaan met spanning, onderzoeken welke gedachten er spelen en werken aan zelfvertrouwen en weerbaarheid.

Maar stel dat het kind na jullie sessie op maandagochtend weer de klas binnenloopt. De rekenles begint en er staat een som op het bord die hij niet begrijpt. Naast hem zijn andere kinderen al begonnen. Hij kijkt naar zijn schrift en zijn hoofd loopt vol.

“Zie je wel. Ik kan het niet.”

Dan kun je op vrijdag een prachtige stap hebben gezet op het gebied van zelfvertrouwen, terwijl het kind op maandag opnieuw een ervaring krijgt die precies het tegenovergestelde bevestigt.

Dat betekent niet dat de coaching niet werkt. Het betekent dat we verder moeten kijken. Misschien is de faalangst niet alleen een losstaand emotioneel probleem. Misschien speelt het leren óók een rol.

Waarom kunnen leerproblemen en faalangst met elkaar verweven raken?

Stel je een trap voor. Een kind begint onderaan en leert steeds iets nieuws. Iedere trede vormt de basis voor de volgende.

Maar wat gebeurt er als een aantal van die treden ontbreken?

De klas gaat door en er wordt nieuwe leerstof aangeboden, terwijl eerdere leerstof nog niet stevig genoeg is geland. Het kind probeert de volgende trede te bereiken, maar dat kost steeds meer moeite. Op een gegeven moment kan het gaan denken dat het aan hem ligt.

“Iedereen kan dit behalve ik.”

“Ik ben slecht in rekenen.”

“Ik ben dom.”

En uiteindelijk misschien:

“Ik wil niet meer naar school.”

Daarom is het belangrijk om bij faalangst niet alleen te vragen: hoe kunnen we dit kind meer zelfvertrouwen geven? Vraag ook: waar verliest dit kind zijn vertrouwen?

Dat verschil lijkt klein, maar kan je als kindercoach naar een heel ander vertrekpunt brengen.

Wat kun je als kindercoach doen bij leerproblemen?

Je hoeft als kindercoach niet ineens diagnoses te gaan stellen of op de stoel van de leerkracht te gaan zitten. Het begint bij leren kijken naar het geheel.

Wanneer ontstaan de emoties? Gebeurt dat overal of vooral rondom school? Zijn er bepaalde vakken waarbij de spanning toeneemt? Wat zegt het kind zelf? Wat vertellen de ouders? En blijft de onzekerheid misschien bestaan doordat het kind iedere dag opnieuw ervaart dat leren niet lukt?

Signalen die aanleiding kunnen geven om verder te kijken zijn bijvoorbeeld:

  • regelmatig zeggen: “Ik ben dom” of “Ik kan dit toch niet”
  • faalangst die vooral rondom schoolwerk zichtbaar wordt
  • buikpijn of spanning voordat het kind naar school moet
  • boosheid of verdriet bij rekenen, spelling of lezen
  • schooltaken vermijden of niet willen beginnen
  • thuis iets lijken te begrijpen, maar het op school niet kunnen laten zien
  • steeds minder motivatie krijgen om te leren
  • sterke emotionele reacties wanneer iets niet lukt

Eén zo’n signaal betekent natuurlijk niet direct dat er sprake is van een leerprobleem. Een checklist is geen diagnose. Maar het kan wel een reden zijn om niet uitsluitend naar het sociaal-emotionele stuk te kijken.

Wanneer is alleen werken aan zelfvertrouwen niet genoeg?

Zelfvertrouwen groeit niet alleen doordat een kind leert anders over zichzelf te denken. Het moet ook kunnen ervaren dat iets lukt.

Wanneer een kind iedere dag opnieuw vastloopt met rekenen, spelling of lezen, krijgt de gedachte “ik kan het niet” steeds nieuw bewijs. Dan kan sociaal-emotionele begeleiding heel waardevol zijn, maar blijft een belangrijke bron van de onzekerheid bestaan.

Daarom wil je als kindercoach kunnen herkennen wanneer leren onderdeel is van de hulpvraag. Niet om alles zelf op te lossen, maar om te weten wanneer je verder moet kijken.

Opleiding tot Kernvisiecoach: als je verder wilt kunnen kijken dan faalangst

Misschien begeleid je nu al kinderen met faalangst, onzekerheid, motivatieproblemen of weerbaarheid. Je weet hoe je een gesprek voert en hoe je achter gedrag kunt kijken. Maar zodra ouders vertellen dat hun kind ook vastloopt met rekenen, spelling of lezen, ontstaat soms twijfel.

“Daar weet ik niet genoeg van. Is dat niet iets voor school?”

Natuurlijk heeft school een belangrijke rol. Maar kennis over leren kan jou als kindercoach helpen om het hele plaatje beter te begrijpen.

De Opleiding tot Kernvisiecoach kun je daarom zien als een opleiding voor kindercoaches die zich willen verdiepen in leerproblemen en de sociaal-emotionele gevolgen daarvan. Je leert verbanden herkennen tussen leren, gedrag, faalangst, motivatie en zelfvertrouwen.

Dat betekent dat je andere vragen kunt gaan stellen. Niet alleen: “Wanneer ben je bang om fouten te maken?” Maar bijvoorbeeld ook: “Wanneer merk je dat het moeilijk wordt?” en “Wat gebeurt er als je iets niet meteen weet?”

Je krijgt als het ware een extra bril om naar het kind te kijken.

Moet je als kindercoach dan ook leerkracht worden?

Nee. En dat is een belangrijk misverstand om weg te nemen.

We gaan geen ingewikkelde dingen doen om het ingewikkeld te maken. We gaan aan de slag met de basis die een kind op de basisschool nodig heeft. Wat moet stevig staan om verder te kunnen? Waar zitten mogelijk gaten? En hoe kun je die basis zo aanbieden dat een kind ermee verder kan?

Misschien denk je:

“Maar ik heb helemaal geen onderwijsachtergrond. Kan ik dat dan wel leren?”

Mijn antwoord is eenvoudig: als jij het straks aan een kind op de basisschool moet kunnen uitleggen, dan moeten wij het jou in de opleiding ook zo kunnen uitleggen dat jij het begrijpt.

Je hoeft geen wandelende rekenmethode te worden en je hoeft geen ingewikkelde onderwijstermen uit je hoofd te leren. Je hebt wel voldoende kennis nodig om te herkennen waar een kind vastloopt en om met de basis aan de slag te kunnen.

Eerst de basis stevig. Dan verder bouwen.

Want op een wiebelend fundament kun je moeilijk een stevig huis neerzetten.

Stappenplan: wat doe je wanneer een kind met faalangst bij je komt?

Je hoeft niet meteen conclusies te trekken. Begin met kijken.

Stap 1: Breng de faalangst in kaart

Wanneer ontstaat de spanning? Is die overal aanwezig of vooral in situaties waarin het kind moet presteren?

Stap 2: Vraag naar school en leren

Welke vakken zijn moeilijk? Wanneer begon dat? Zijn er specifieke momenten waarop het kind blokkeert?

Stap 3: Luister naar de woorden van het kind

“Ik ben dom” vertelt iets anders dan “Ik vind rekenen niet leuk.” Neem zulke uitspraken serieus.

Stap 4: Kijk naar de basis

Ga op onderzoek uit. Is eerdere leerstof voldoende geautomatiseerd? Waar zitten mogelijk hiaten in de basis? Een kind kan moeilijk verder bouwen als belangrijke stukken van die basis ontbreken.

Stap 5: Kijk naar het geheel

Gedrag, zelfvertrouwen, leren, thuis en school beïnvloeden elkaar. Een kind bestaat niet uit losse vakjes.

Stap 6: Ken je professionele grenzen

Meer weten over leerproblemen betekent niet dat jij voortaan alles zelf moet oplossen. Samenwerken met ouders, school en andere professionals blijft belangrijk.

Veelgestelde vragen over een opleiding kindercoach leerproblemen

Kan ik leerproblemen begeleiden als ik geen leerkracht ben?

Je hoeft geen leerkracht te zijn om je als kindercoach verder te verdiepen in leren. Wel moet je weten wat je doet, waar jouw deskundigheid ophoudt en wanneer andere expertise nodig is.

Binnen de Opleiding tot Kernvisiecoach ligt de nadruk daarom niet op ingewikkelde onderwijsdidactiek, maar op begrijpen wat een kind in de basis nodig heeft en hoe je daarmee praktisch aan de slag kunt.

Wat hebben faalangst en leerproblemen met elkaar te maken?

Dat verschilt per kind. Een kind dat herhaaldelijk ervaart dat schoolwerk niet lukt, kan echter steeds minder vertrouwen krijgen in zijn eigen kunnen. Een volgende rekenles is dan niet zomaar een rekenles. Het kan ook het volgende moment worden waarop het kind verwacht opnieuw te falen.

Daarom is het zinvol om bij faalangst rondom school ook te onderzoeken hoe het leren verloopt.

Is een opleiding kindercoach leerproblemen geschikt als ik al kindercoach ben?

Juist dan kan verdieping interessant zijn. Zeker wanneer je regelmatig kinderen begeleidt bij faalangst, onzekerheid, motivatie of gedrag en merkt dat problemen rondom school en leren steeds terugkomen.

Je vervangt daarmee niet wat je al kunt. Je voegt iets toe.

Je kunt het sociaal-emotionele stuk blijven begeleiden, maar hebt meer kennis om te herkennen wanneer het leerproces daarin meespeelt.

Moet ik ingewikkelde rekendidactiek en taaltheorie leren?

Nee. Het doel van de Opleiding tot Kernvisiecoach is niet om van jou een leerkracht te maken. We gaan terug naar de basis die een kind nodig heeft.

En nogmaals: als jij iets uiteindelijk aan een basisschoolkind moet kunnen uitleggen, moeten wij ervoor zorgen dat jij het eerst zelf op een begrijpelijke manier leert.

Waarom zou ik me als kindercoach verdiepen in leren?

Omdat de hulpvraag waarmee een kind binnenkomt niet altijd het hele verhaal vertelt.

Een ouder kan bellen vanwege faalangst. Een kind kan worden aangemeld omdat het onzeker is. Boosheid kan thuis en op school het grootste probleem lijken.

Maar daaronder kan een kind zitten dat al heel lang ervaart dat leren niet lukt zoals het van hem wordt gevraagd.

En dát wil je kunnen herkennen.

Kijk niet alleen naar wat een kind laat zien

Ik denk nog even terug aan die jongen van 9. Een kind dat school een nachtmerrie noemt, zichzelf dom vindt en zo overspoeld kan raken dat zijn gedrag escaleert.

We kunnen alleen naar dat gedrag kijken. We kunnen ook een andere vraag stellen:

Wat probeert dit gedrag ons te vertellen?

Misschien is dat wel een van de belangrijkste vaardigheden die je als kindercoach kunt ontwikkelen. Niet direct invullen of een etiket plakken, maar kijken, luisteren en verder durven zoeken wanneer je voelt dat er meer speelt.

Soms komt een kind bij je vanwege faalangst, terwijl een belangrijk deel van de oplossing begint bij leren. En soms komt een kind bij je omdat het niet meer gelooft dat het iets kan, terwijl het vooral opnieuw moet gaan ervaren dat het wél kan.

Ben jij kindercoach en herken je dat je bij sommige kinderen tegen de grens van je huidige kennis aanloopt? Dan kan de Opleiding tot Kernvisiecoach een volgende stap zijn. Het is een opleiding voor kindercoaches en andere professionals die zich willen verdiepen in leerproblemen én de sociaal-emotionele belemmeringen die daarmee samen kunnen gaan.

Niet om leerkracht te worden.

Wel om beter te begrijpen wat je ziet. Om verder te kunnen kijken dan de faalangst alleen. En om een kind te helpen de ontbrekende treden weer op te bouwen, zodat het uiteindelijk zelf kan ervaren:

“Hé, wacht eens even. Ik kan dit wél.”

Handen plakken een pleister op de bezeerde knie van een kind.

Over de schrijver

Gelijke kansen in het onderwijs: waarom eerlijk niet betekent dat ieder kind hetzelfde krijgt

Maar dat is toch niet eerlijk?

We horen het nogal eens wanneer een kind buiten school extra begeleiding krijgt. Waarom krijgt dit kind extra hulp, terwijl een ander kind dat niet krijgt? Ontstaat er dan geen oneerlijk voordeel?

Op het eerste gezicht klinkt die gedachte logisch. We willen kinderen immers gelijk behandelen en voorkomen dat de één meer kansen krijgt dan de ander.

Maar precies daar begint de verwarring.

Want betekent gelijke kansen in het onderwijs dat ieder kind hetzelfde moet krijgen? Of betekent het juist dat ieder kind krijgt wat nodig is om daadwerkelijk mee te kunnen doen?

Een eenvoudige les uit een basisschoolklas maakt dat verschil verrassend duidelijk.

Gelijke kansen in het onderwijs betekenen niet hetzelfde onderwijs voor ieder kind

In het onderwijs vinden we het heel normaal dat kinderen niet allemaal precies hetzelfde nodig hebben. De ene leerling begrijpt een rekenstrategie na één uitleg, een ander heeft verlengde instructie nodig en een derde begrijpt het pas wanneer de leerkracht dezelfde stof op een andere manier aanbiedt.

Niemand zal zeggen dat die extra uitleg oneerlijk is.

We noemen dat differentiatie.

Toch verandert dat gesprek soms zodra ondersteuning van buiten school komt. Dan ontstaat ineens de vraag of het wel eerlijk is dat één leerling iets krijgt wat andere leerlingen niet krijgen.

Maar misschien stellen we dan de verkeerde vraag.

De vraag zou niet moeten zijn of ieder kind exact hetzelfde krijgt, maar of ieder kind voldoende mogelijkheden krijgt om te leren en zich te ontwikkelen.

Dat is een wezenlijk verschil.

Een pleister voor iedereen

Een lerares legde dit principe ooit op een heel eenvoudige manier uit aan haar klas.

Ze liet de kinderen verschillende klachten noemen. De één had zijn knie bezeerd, een ander had pijn aan zijn vinger en weer een ander had hoofdpijn.

Vervolgens gaf ze iedereen dezelfde behandeling: een pleister op precies dezelfde plek.

Eerlijk toch?

Iedereen kreeg immers exact hetzelfde.

De kinderen voelden meteen dat er iets niet klopte. Een pleister op je arm helpt niet tegen hoofdpijn en een pleister op je vinger heeft weinig zin wanneer je knie pijn doet.

De oplossing was gelijk.

De behoefte niet.

En precies daarin zit de kern.

Eerlijk betekent niet altijd dat iedereen hetzelfde krijgt.

Dat begrijpen kinderen vaak binnen een paar minuten. Toch blijkt het in het onderwijs soms een stuk ingewikkelder zodra het gaat over ondersteuning, maatwerk of begeleiding buiten school.

Wat is eerlijk voor een kind dat vastloopt?

Stel dat een leerling al maanden moeite heeft met spelling.

Er is extra geoefend, opnieuw uitgelegd en nog meer herhaald. Toch beklijft het niet. Ondertussen ziet het kind klasgenoten verdergaan, dalen de resultaten en groeit de overtuiging: ik kan dit blijkbaar niet.

Dan is het weinig zinvol om alleen te vragen hoeveel extra oefening er nog nodig is.

Misschien moeten we een andere vraag stellen:

Waarom werkt de huidige aanpak voor dit kind niet?

Daar begint maatwerk.

Niet bij lagere verwachtingen en ook niet bij het voortrekken van een kind, maar bij zorgvuldig kijken naar wat er gebeurt. Wat lukt wel? Waar loopt het vast? Wat hebben we al geprobeerd? En is er misschien een andere manier waarop deze leerling de informatie beter kan verwerken?

Dat is wat mij betreft een belangrijk onderdeel van gelijke kansen in het onderwijs.

Want extra ondersteuning geven betekent niet automatisch dat je een kind een voordeel geeft. Soms probeer je alleen een belemmering weg te nemen die andere kinderen niet hebben.

Een bril noemen we toch ook niet oneerlijk?

Denk aan een kind dat het bord niet goed kan zien.

Niemand zal zeggen:

“Jij mag geen bril, want de andere kinderen hebben die ook niet.”

We begrijpen intuïtief dat die bril het kind geen oneerlijk voordeel geeft. De bril zorgt ervoor dat het toegang krijgt tot iets wat voor een ander kind zonder hulpmiddel al toegankelijk is.

Bij leren ligt dat soms ingewikkelder, maar het principe is vergelijkbaar.

Het kan gaan om extra instructie, aangepast materiaal, meer tijd of een andere manier van uitleggen. En soms kan externe begeleiding een aanvullende rol spelen wanneer een kind ondanks de ondersteuning op school blijft vastlopen.

Natuurlijk betekent dat niet dat iedere vorm van externe hulp automatisch passend of noodzakelijk is. Goed onderwijs en passende ondersteuning horen in eerste instantie binnen school beschikbaar te zijn.

Maar als een leerling ondanks die ondersteuning blijft vastlopen, helpt het niet om externe hulp af te wijzen alleen omdat een ander kind die hulp niet krijgt.

Dan verschuift de aandacht van het kind naar het principe.

Terwijl de betere vraag nog steeds is:

Wat heeft dit kind nodig om weer tot leren te komen?

Maar wat als niet iedere ouder externe hulp kan betalen?

Wanneer passende ondersteuning alleen beschikbaar is voor gezinnen die daarvoor kunnen betalen, ontstaat er een terecht probleem rond kansengelijkheid. Want ieder kind dat extra hulp nodig heeft, zou die hulp moeten kunnen krijgen, ongeacht de financiële mogelijkheden van zijn ouders.

Maar de oplossing voor die ongelijkheid kan nooit zijn dat we een kind de hulp onthouden die zijn ouders wél kunnen organiseren en betalen.

Het probleem is niet dat het ene kind hulp krijgt. Het probleem is dat het andere kind die noodzakelijke hulp mogelijk niet kan krijgen.

Wanneer een school externe begeleiding tegenhoudt omdat niet alle ouders die begeleiding kunnen betalen, wordt het verschil tussen kinderen daarmee niet kleiner. Het kind dat vastloopt, krijgt alleen niet de ondersteuning die op dat moment beschikbaar is.

De vraag zou daarom niet moeten zijn: “Is het eerlijk dat deze ouders extra hulp kunnen regelen?”

De veel belangrijkere vraag is: “Hoe zorgen we ervoor dat ieder kind dat extra ondersteuning nodig heeft, toegang krijgt tot passende hulp?”

Want gelijke kansen in het onderwijs creëren we niet door beschikbare hulp tegen te houden. We creëren ze door te zoeken naar manieren waarop meer kinderen de ondersteuning kunnen krijgen die zij nodig hebben.

Externe hulp hoeft geen concurrent van school te zijn

Soms ontstaat er nog een andere gevoeligheid.

Externe begeleiding kan worden ervaren alsof daarmee impliciet wordt gezegd dat school tekortschiet.

Maar dat hoeft helemaal niet zo te zijn.

Een leerkracht werkt met een hele klas, binnen een rooster, een methode, leerdoelen en beperkte tijd. Tegelijk zitten er in die klas kinderen die iets nodig hebben wat binnen die structuur niet altijd volledig geboden kan worden.

Een externe professional hoeft dan geen concurrent te zijn.

De vraag hoeft niet te zijn:

Wie doet het goed?

Veel interessanter is:

Wat zien we bij dit kind en hoe kunnen we elkaar aanvullen?

Daar ligt wat mij betreft de winst.

In ons artikel over nevenactiviteiten in het onderwijs en een eigen praktijk gaan we uitgebreider in op die samenwerking en de verschillende rollen die professionals daarin kunnen hebben.

Soms heeft een kind niet méér nodig, maar iets anders

Dit is misschien wel het belangrijkste onderscheid.

Wanneer een kind iets niet begrijpt, is onze eerste reactie vaak om meer te oefenen. Meer herhalen. Nog een keer uitleggen.

Dat kan werken.

Maar niet altijd.

Als dezelfde aanpak na tien keer nog steeds onvoldoende resultaat geeft, is het de moeite waard om niet alleen te vragen hoeveel extra oefening nodig is, maar ook of de manier van aanbieden wel aansluit.

Vergelijk het met een route.

Wanneer je telkens dezelfde verkeerde afslag neemt, heeft het weinig zin om dezelfde route nog een keer te rijden, alleen wat langzamer.

Soms moet je terug en een andere weg proberen.

Zo kan het ook zijn met leren.

Een kind kan vastlopen bij lezen, spelling, rekenen of automatiseren, terwijl een andere manier van aanbieden ineens wél aansluit.

Daarover lees je meer in ons artikel over waarom sommige kinderen anders moeten leren.

Welke vraag zouden we op school wél moeten stellen?

Misschien begint het gesprek over gelijke kansen in het onderwijs met andere vragen.

Niet:

“Waarom krijgt dit kind iets extra’s?”

Maar:

“Waarom heeft dit kind iets extra’s nodig?”

Niet:

“Waarom mag deze leerling het anders doen?”

Maar:

“Wat gebeurt er als we blijven doen wat nu niet werkt?”

En uiteindelijk:

“Wat heeft dit kind nodig om zich te kunnen ontwikkelen?”

Dat is geen pleidooi om regels los te laten of ieder kind een eigen onderwijsprogramma te geven.

Het is wel een uitnodiging om verschil niet meteen als oneerlijk te zien.

Want kinderen zijn niet hetzelfde.

Hun ondersteuningsbehoeften dus ook niet.

Checklist: werken we echt aan gelijke kansen?

Een paar vragen om mee te nemen naar een leerlingbespreking of teamoverleg:

  • Kijken we naar wat dit specifieke kind nodig heeft?
  • Verwarren we gelijke behandeling soms met gelijke kansen?
  • Onderzoeken we waarom de huidige ondersteuning onvoldoende werkt?
  • Durven we een andere aanpak te proberen wanneer meer van hetzelfde niet helpt?
  • Zien we externe begeleiding als concurrentie of ook als mogelijke aanvulling?
  • Hoe kunnen school, ouders en professionals beter samenwerken rond het kind?

Niet iedere vraag heeft meteen een eenvoudig antwoord.

Maar het gesprek verandert wel zodra we ze gaan stellen.

Gelijke kansen beginnen met verschillen durven zien

Dan komen we weer terug bij die klas en die pleisters.

Je kunt ieder kind dezelfde pleister geven en zeggen:

“Zo, nu is het eerlijk.”

Of je kunt eerst kijken waar het pijn doet.

Dat tweede vraagt meer aandacht en soms ook meer maatwerk.

Maar misschien is dat juist de kern van gelijke kansen in het onderwijs.

Niet ieder kind hetzelfde geven.

Wel ieder kind serieus nemen in wat het nodig heeft om te leren, groeien en mee te doen.

Wil jij kinderen helpen die iets anders nodig hebben?

Misschien zie je ze dagelijks in je klas of praktijk. Kinderen waarvan je voelt: er zit veel meer in, maar met de gebruikelijke aanpak komt het er niet uit.

In de opleiding tot Kernvisiecoach leer je hoe je kinderen die vastlopen op een andere manier kunt begeleiden. Je krijgt praktische handvatten om niet alleen te zien dát een kind iets anders nodig heeft, maar ook te weten wat je kunt doen.

Want gelijke kansen beginnen met verschillen durven zien.

En het verschil maken begint met weten hoe.

Vrouwenhanden met dossiers die bij elkaar gehouden worden door gekleurde clips.

Over de schrijver

Nevenactiviteiten in het onderwijs: waarom maken we hulp aan kinderen zo ingewikkeld?

Steeds meer onderwijsprofessionals starten naast hun baan een eigen praktijk.

Als coach.
Als remedial teacher.
Als specialist in leren.
Als begeleider van kinderen die vastlopen op school.

Niet omdat ze willen concurreren met school.
Niet omdat ze het beter denken te weten dan iedereen.
Maar omdat ze dagelijks zien dat sommige kinderen meer nodig hebben dan extra instructie, herhaling of een nieuw handelingsplan.

Toch roept zo’n eigen praktijk naast een baan in het onderwijs of bij een samenwerkingsverband regelmatig vragen op.

Mag dit wel?
Is dit geen nevenactiviteit?
Is er sprake van belangenverstrengeling?
Is een eigen praktijk concurrerend met school of het samenwerkingsverband?

Dat zijn begrijpelijke vragen.

Maar soms lijkt de energie vooral te gaan naar het controleren van professionals die kinderen willen helpen.

Terwijl ondertussen veel kinderen wachten.

Op passende hulp.
Op iemand die anders kijkt.
Op een aanpak die wél binnenkomt.

En dat wringt.

Wat zijn nevenactiviteiten in het onderwijs?

Nevenactiviteiten zijn werkzaamheden die iemand naast zijn of haar baan uitvoert.

Dat kan betaald zijn.
Dat kan onbetaald zijn.
Dat kan een eigen praktijk zijn.
Of vrijwilligerswerk, bestuurswerk of losse opdrachten.

Voor onderwijsprofessionals kan een eigen praktijk dus inderdaad een nevenactiviteit zijn.

Ook wanneer die praktijk volledig buiten werktijd plaatsvindt.
Ook wanneer de professional nog maar net begint.
Ook wanneer het gaat om enkele kinderen per maand.

Veel scholen, besturen en samenwerkingsverbanden hebben afspraken over nevenactiviteiten opgenomen in een arbeidsovereenkomst, personeelshandboek, cao of integriteitscode.

Een werkgever mag daarom meestal vragen om nevenactiviteiten te melden.

Dat is op zichzelf niet vreemd.

Een werkgever wil kunnen beoordelen of de werkzaamheden passen naast de functie. Daarbij gaat het vaak om vragen rondom integriteit, belangenverstrengeling, vertrouwelijkheid, werkbelasting en mogelijke concurrentie.

Tot zover is er weinig mis.

Zorgvuldigheid is belangrijk.

Maar zorgvuldigheid mag geen systeemkramp worden.

Wanneer wordt zorgvuldigheid systeemkramp?

Er lopen kinderen rond met forse leerachterstanden.

Kinderen die al jaren horen dat ze beter hun best moeten doen.
Kinderen die extra instructie krijgen, maar nog steeds niet tot leren komen.
Kinderen die toetsen maken waarop vooral zichtbaar wordt wat ze níet kunnen.

En soms zegt school dan:

“We zijn handelingsverlegen.”

Dat klinkt netjes.
Bijna zorgvuldig.

Maar voor een kind betekent het vaak iets anders.

We weten het niet meer.
We doen nog wat binnen het protocol past.
En ondertussen schuift de tijd door.

Dan komt er soms een professional die buiten de lijntjes durft te kijken.

Een leerkracht.
Een intern begeleider.
Een rekenspecialist.
Een kindercoach.
Een onderwijsprofessional die een eigen praktijk start om kinderen verder te helpen.

Niet om school te ondermijnen.
Niet om kinderen bij school weg te trekken.
Niet om concurrent te worden van het systeem.

Maar omdat er kinderen zijn die nú hulp nodig hebben.

En dan gaat de aandacht ineens niet naar de vraag:

Hoe zorgen we dat dit kind weer leert?

Maar naar:

Mag jij dit wel doen?
Is dit geen nevenactiviteit?
Is dit niet concurrerend?
Past dit binnen de integriteitscode?
Moet het bestuur hier iets van vinden?

Natuurlijk moeten die vragen soms gesteld worden.

Maar als die vragen belangrijker worden dan het kind, zijn we iets kwijtgeraakt.

Is een eigen praktijk naast schoolwerk concurrerend?

Een eigen praktijk is niet automatisch concurrerend met een baan in het onderwijs.

Dat hangt af van de rol, de doelgroep, de opdrachtgever en de manier waarop de professional grenzen bewaakt.

Een leerkracht die onder schooltijd leerlingen uit haar eigen klas via haar praktijk begeleidt, begeeft zich op glad ijs.

Een specialist die ouders vanuit haar functie actief naar haar eigen praktijk stuurt, moet zich afvragen of dat zuiver is.

Een medewerker van een samenwerkingsverband die als zelfstandige werkt met leerlingen waarbij zij ook betrokken is bij onderzoek, advies of besluitvorming, krijgt terecht vragen.

Daar moet je helder over zijn.

Maar dat is iets anders dan zeggen dat iedere eigen praktijk naast een onderwijsbaan verdacht is.

Een eigen praktijk kan ook aanvullend zijn.

Bijvoorbeeld wanneer ouders op eigen initiatief begeleiding zoeken voor hun kind.
Wanneer de begeleiding buiten werktijd plaatsvindt.
Wanneer er geen gebruik wordt gemaakt van dossiers, contacten of informatie vanuit de baan.
Wanneer de professional geen leerlingen begeleidt waarbij zij vanuit haar functie betrokken is.
Wanneer duidelijk is dat de praktijk losstaat van de werkgever.

Dan is er sprake van een andere context.

De baan in loondienst is de officiële route binnen school of samenwerkingsverband.
De eigen praktijk is particuliere, individuele begeleiding buiten die organisatie.

Dat zijn niet automatisch concurrenten.

Het zijn eerder twee verschillende ingangen naar hetzelfde doel:

een kind dat weer verder kan.

Belangenverstrengeling voorkomen: daar begint het

Laten we het niet kleiner maken dan het is.

Belangenverstrengeling is een reëel onderwerp.

Een professional met een eigen praktijk moet zorgvuldig werken.

Dus ja:

Geen leerlingen uit je eigen klas via je praktijk begeleiden.
Geen ouders werven via je functie.
Geen dossiers of interne informatie gebruiken.
Geen dubbele pet opzetten in hetzelfde traject.
Geen verwarring laten ontstaan over namens wie je spreekt.
Geen adviezen geven vanuit je praktijk over besluiten waarbij je vanuit je baan betrokken bent.

Dat is logisch.

Daar hoef je geen drama van te maken.
Dat kun je gewoon helder afspreken.

Sterker nog: professionals die hun eigen praktijk serieus nemen, willen dat meestal ook.

Zij willen niet rommelen met rollen.
Zij willen niet stiekem werken.
Zij willen juist zorgvuldig zijn.

Het probleem zit dus niet in het maken van afspraken.

Het probleem zit in de reflex om initiatief eerst verdacht te maken.

Waarom kinderen geen boodschap hebben aan systeemangst

Een kind met een rekenachterstand denkt niet:
Gelukkig wordt mijn casus zorgvuldig bestuurlijk beoordeeld.

Een kind met faalangst denkt niet:
Fijn dat er eerst helderheid komt over nevenwerkzaamheden.

Een kind dat elke dag buikpijn heeft van school denkt niet:
Wat goed dat de integriteitscode wordt toegepast.

Dat kind wil iets veel eenvoudigers.

Iemand die mij begrijpt.
Iemand die ziet waar het misgaat.
Iemand die mij helpt leren op een manier die bij mij past.
Iemand die mij laat voelen dat ik niet dom ben.

Daar zou de aandacht naartoe moeten.

Niet naar het wantrouwen van professionals die in hun vrije tijd kinderen willen begeleiden.

Maar naar de vraag:

Hoe zorgen we dat kinderen sneller de juiste hulp krijgen?

Eigen praktijk als coach: bedreiging of kans?

Misschien raken scholen en samenwerkingsverbanden soms zo gespannen omdat een eigen praktijk iets zichtbaar maakt.

Namelijk dat er kinderen zijn die binnen het huidige systeem niet voldoende geholpen worden.

Dat is ongemakkelijk.

Want niemand wil tekortschieten.
Geen leerkracht.
Geen intern begeleider.
Geen schoolleider.
Geen samenwerkingsverband.

En toch gebeurt het.

Niet omdat mensen niet betrokken zijn.
Niet omdat professionals hun best niet doen.
Maar omdat het systeem vaak traag, vol en strak georganiseerd is.

Er zijn protocollen.
Er zijn wachttijden.
Er zijn criteria.
Er zijn overlegstructuren.
Er zijn beperkte uren.
Er zijn budgetten.
Er zijn methodes die gevolgd moeten worden.

En kinderen passen daar niet altijd netjes in.

Soms is er iemand nodig die naast het kind gaat zitten en vraagt:

Hoe werkt leren bij jou?
Wat gebeurt er in je hoofd?
Waar blokkeer je?
Wat heb jij nodig om de stap wel te maken?

Dat is geen aanval op school.

Dat is een aanvulling op wat school probeert te doen.

Rolzuiver werken in onderwijs en coaching

De sleutel ligt in rolzuiver werken.

Rolzuiver werken betekent dat duidelijk is vanuit welke rol je handelt.

Ben je op dat moment werknemer van school of samenwerkingsverband?
Of ben je zelfstandig begeleider in je eigen praktijk?

Die rollen mogen niet door elkaar lopen.

Voor onderwijsprofessionals met een eigen praktijk betekent dit bijvoorbeeld:

  • je werkt in je praktijk alleen buiten werktijd
  • je gebruikt geen informatie uit je functie
  • je begeleidt geen leerlingen waarbij je vanuit je werk betrokken bent
  • je werft geen cliënten via je werkgever
  • je bent helder naar ouders over je rol
  • je stemt bij mogelijke overlap vooraf af met je leidinggevende
  • je houdt je praktijkadministratie volledig gescheiden
  • je gebruikt geen materialen, systemen of communicatiekanalen van je werkgever

Dat zijn geen onredelijke grenzen.

Integendeel.

Ze maken het mogelijk om zorgvuldig naast elkaar te laten bestaan wat elkaar niet hoeft te bijten.

De vraag die we te weinig stellen

De vraag is vaak:
Is deze coach concurrerend?

Maar misschien is dat niet de beste vraag.

Een betere vraag is:
Waarom ervaren we een professional die kinderen wil helpen als concurrent?

Als het doel werkelijk hetzelfde is, namelijk kinderen laten groeien, leren en weer meedoen, dan zou samenwerking logischer zijn dan wantrouwen.

Dan zou de eerste reactie niet moeten zijn:

Hoe houden we dit tegen?

Maar:

Hoe zorgen we dat dit zorgvuldig kan?

Dat is een fundamenteel andere houding.

De ene houding sluit af.
De andere onderzoekt.

De ene houding beschermt vooral het systeem.
De andere kijkt eerst naar het kind.

Van handelingsverlegen naar handelingsbereid

Het woord handelingsverlegen hoor je vaak in het onderwijs.

Het klinkt professioneel.
Maar het is ook een gevaarlijk comfortabel woord.

Want als we niet oppassen, wordt handelingsverlegenheid een eindstation.

We weten het niet.
We kunnen het niet.
We hebben het geprobeerd.
Het past niet binnen onze mogelijkheden.

Maar kinderen hebben weinig aan handelingsverlegenheid.

Zij hebben handelingsbereidheid nodig.

De bereidheid om opnieuw te kijken.
Om anders te kijken.
Om hulp van buiten niet direct als bedreiging te zien.
Om professionals met initiatief niet weg te zetten als risico.
Om samen te zoeken naar wat wél werkt.

Want dat is uiteindelijk waar passend onderwijs over zou moeten gaan.

Niet over passende formulieren.
Niet over passende routes.
Niet over passende vergaderingen.

Maar over passende hulp.

Wat werkgevers wél mogen vragen

Een school of samenwerkingsverband mag best vragen stellen.

Sterker nog: dat is logisch.

Een werkgever mag willen weten:

  • wat de nevenactiviteit inhoudt
  • in welke regio de praktijk actief is
  • welke doelgroep wordt begeleid
  • hoeveel tijd de praktijk vraagt
  • of er overlap is met de functie
  • hoe belangenverstrengeling wordt voorkomen
  • hoe vertrouwelijkheid wordt gewaarborgd

Daar is niets mis mee.

Maar de toon maakt uit.

Er is een groot verschil tussen:

Leg eens uit hoe je dit zorgvuldig afbakent.

En:

Bewijs eerst maar eens dat jij geen probleem bent.

De eerste houding nodigt uit tot transparantie.

De tweede zet een betrokken professional in de verdachtenbank.

Dat is zonde.

En het helpt kinderen niet.

Wat onderwijsprofessionals met een eigen praktijk kunnen doen

Voor professionals die naast hun baan een eigen praktijk willen starten, is het verstandig om niet te wachten tot er spanning ontstaat.

Meld je nevenactiviteit zorgvuldig wanneer dat gevraagd wordt of wanneer dit in de regels van je werkgever staat.

Beschrijf duidelijk:

  • wat je doet in je functie
  • wat je doet in je praktijk
  • welke doelgroep je begeleidt
  • in welke regio je werkt
  • hoeveel tijd je eraan besteedt
  • hoe je voorkomt dat rollen door elkaar lopen
  • welke cliënten of leerlingen je juist niet aanneemt
  • hoe je omgaat met informatie, privacy en vertrouwelijkheid

Dat is niet buigen.

Dat is professioneel communiceren.

En wat scholen en samenwerkingsverbanden kunnen doen

Ook werkgevers hebben hierin een keuze.

Zij kunnen initiatief wantrouwen.
Of zij kunnen het zorgvuldig begeleiden.

Natuurlijk moeten zij waken voor belangenverstrengeling.

Maar ze kunnen ook erkennen dat veel onderwijsprofessionals een eigen praktijk starten vanuit betrokkenheid. Vanuit vakmanschap. Vanuit de wens om kinderen die vastlopen verder te helpen.

Een professional met initiatief is niet automatisch een risico.

Soms is het precies het soort professional dat het onderwijs hard nodig heeft.

Iemand die blijft zoeken.
Die zich blijft ontwikkelen.
Die ziet dat een leerprobleem niet altijd een kindprobleem is.
Die begrijpt dat achterstanden soms groter worden doordat we blijven aanbieden wat voor dit kind niet werkt.

Zulke mensen moet je niet bij voorbaat afremmen.

Die moet je serieus nemen.

Maak heldere afspraken.
Bewaak rollen.
Voorkom belangenverstrengeling.

Maar gebruik regels niet als hek om betrokken professionals buiten te houden.

Veelgestelde vragen over nevenactiviteiten in het onderwijs

Mag je als leerkracht of onderwijsprofessional een eigen praktijk starten naast je baan?

Dat kan vaak wel, maar je moet rekening houden met de afspraken in je arbeidsovereenkomst, cao, personeelshandboek of integriteitscode. Vaak moet je nevenactiviteiten melden bij je werkgever.

Is een eigen praktijk naast een baan in het onderwijs altijd belangenverstrengeling?

Nee. Belangenverstrengeling ontstaat vooral wanneer rollen door elkaar lopen. Bijvoorbeeld wanneer je leerlingen begeleidt waarbij je ook vanuit je functie betrokken bent, wanneer je ouders werft via je werk of wanneer je interne informatie gebruikt voor je praktijk.

Wanneer is een eigen praktijk concurrerend met school of samenwerkingsverband?

Dat hangt af van de situatie. Een praktijk is niet automatisch concurrerend wanneer ouders zelf begeleiding zoeken, de begeleiding buiten werktijd plaatsvindt en de praktijk losstaat van de functie in loondienst.

Hoe voorkom je belangenverstrengeling?

Werk buiten werktijd. Gebruik geen dossiers of informatie vanuit je baan. Begeleid geen leerlingen uit je eigen klas, caseload of onderzoekstraject. Werf geen cliënten via je werkgever. Wees helder naar ouders en scholen over je rol.

Wat betekent rolzuiver werken?

Rolzuiver werken betekent dat duidelijk is vanuit welke rol je handelt. Je bent óf werknemer binnen school of samenwerkingsverband, óf zelfstandig begeleider in je eigen praktijk. Die rollen mogen niet door elkaar lopen.

Tot slot

Er is al genoeg tekort in het onderwijs.

Tekort aan tijd.
Tekort aan handen.
Tekort aan specialisten.
Tekort aan ruimte voor kinderen die niet in het gemiddelde plaatje passen.

Laten we dan stoppen met energie lekken aan systeemkramp.

Ja, maak afspraken.
Ja, bewaak grenzen.
Ja, voorkom belangenverstrengeling.

Maar laat het uitgangspunt niet wantrouwen zijn.

Laat het uitgangspunt zijn:

Hoe zorgen we dat kinderen die vastlopen sneller passende hulp krijgen?

Want elk uur dat we besteden aan het wantrouwen van mensen die willen helpen, besteden we niet aan kinderen die hulp nodig hebben.

En die kinderen wachten al lang genoeg.

Jongetje van een jaar of negen aan tafel dat met zijn hoofd op zijn hand leunt en naar zijn schrijfwerk kijkt.

Over de schrijver

Alternatief voor dyslexiebehandeling kind - waarom sommige kinderen anders moeten leren

“We hebben al zoveel geprobeerd.”

Veel ouders zeggen het op een moment dat ze moe zijn geworden van oefenen, herhalen en telkens opnieuw hopen dat het deze keer wel helpt.

Soms komt die frustratie ineens hard naar buiten. Zoals die vader die zei:

“Ik kreeg 30 jaar geleden al een dyslexiebehandeling die niet hielp en nu doen ze nog precies hetzelfde bij het traject van mijn dochter. Er is niks veranderd.”

En precies daarom zoeken steeds meer ouders naar een alternatief voor een dyslexiebehandeling bij hun kind.

Niet omdat ze tegen hulp zijn.
Maar omdat ze voelen dat wat er aangeboden wordt hun kind niet echt vooruit helpt.

Waarom traditionele dyslexiebehandeling niet altijd werkt

Veel dyslexiebehandelingen zijn gebaseerd op:

  • extra herhalen
  • veel oefenen
  • stap voor stap trainen

En eigenlijk herhalen ze vaak precies datgene wat op school eerder ook al niet lukte.

De kinderen die juist uitvallen op dit stuk, hebben vaak behoefte aan een andere manier van leren. Deze kinderen denken sterk in beelden, verbanden en overzicht. Wanneer zij voortdurend moeten leren via losse stapjes en herhaling, raken ze juist overbelast.

Dan zie je vaak:

  • frustratie
  • onzekerheid
  • faalangst

Kinderen die thuis de mooiste verhalen vertellen, maar blokkeren zodra ze moeten lezen. Kinderen die slim kunnen redeneren, maar spelling ervaren als een onmogelijke berg.

En uiteindelijk soms kinderen die zeggen:

“Ik ben gewoon dom.”

Terwijl het probleem meestal niet intelligentie is, maar de manier waarop een kind leert.

Er wordt vaak gezegd dat dyslexie niets met intelligentie te maken heeft. Meestal om een kind een hart onder de riem te steken. Maar tegelijkertijd krijgen ouders vaak ook te horen:

“Daar houd je je hele leven last van.”

En juist daar wringt het voor veel ouders. Want wat als een kind niet kapot is, maar vooral vastloopt in een manier van leren die niet past?

Wat is een alternatief voor dyslexiebehandeling?

Veel kinderen die een dyslexieverklaring krijgen, hebben eigenlijk moeite met automatiseren.
Niet omdat ze niet slim genoeg zijn, maar omdat de manier van automatiseren niet aansluit bij hoe zij informatie verwerken.

Kinderen met een creatief en associatief brein leren vaak op een andere manier. Vaak denken deze kinderen niet in losse stapjes, maar in beelden en verbanden.

Daardoor heeft eindeloos herhalen bij deze kinderen vaak weinig effect. Nog vaker herhalen kost vooral veel energie en vergroot regelmatig de frustratie.

Wat vaak beter werkt, is aansluiten bij hun talent om informatie te visualiseren. Voor deze kinderen is dat een natuurlijke manier van leren, waardoor het minder energie kost en juist meer rust geeft.

Ze moeten alleen leren hóé ze die manier kunnen inzetten.

Zodra kinderen ontdekken hoe ze woordbeelden kunnen visualiseren, ontstaat er vaak rust. Ze onthouden woorden makkelijker en kunnen ze zonder moeite reproduceren. Daardoor ontstaan succeservaringen.

Leren lukt beter wanneer een kind weer vertrouwen krijgt.

Niet:

“Ik doe alles fout.”

Maar:

“Hé… ik kan dit dus wél.”

Eerst het fundament versterken

Soms blijven kinderen bouwen op een basis die niet stevig genoeg is.

Als het alfabet niet is geautomatiseerd – en je zult verbaasd zijn hoeveel kinderen het alfabet niet vloeiend kunnen reproduceren – dan kan lezen en schrijven zich moeilijk verder ontwikkelen.

Dan heeft het weinig zin om steeds opnieuw te oefenen op een manier die eerder ook al niet werkte.

Soms moet je eerst terug naar de basis, zodat het fundament alsnog stevig wordt.

In deze artikelen wordt mooi uitgelegd waarom steeds meer mensen kritisch kijken naar de huidige manier van behandelen:

Zembla over dyslexie – meten we een stoornis of een systeemfout?

Wat werkt voor kinderen verdient ruimte, ook zonder stempel van goedkeuring

Herken jij dit bij jouw kind?

  • Oefenen zorgt vooral voor frustratie
  • Lezen kost extreem veel energie
  • Je kind denkt sterk in beelden
  • Er ontstaat onzekerheid of faalangst
  • Je voelt dat er “meer achter zit”

Dan kan het waardevol zijn om niet alleen naar dyslexie te kijken, maar ook naar hoe jouw kind leert.

Een alternatief voor dyslexiebehandeling begint met hoop

Kinderen zijn niet hun label.
En ook niet hun toetsresultaten.

Soms hebben ze gewoon iemand nodig die anders kijkt.

Een Kernvisiecoach kan helpen om opnieuw te kijken naar hoe een kind leert, zodat het leerfundament sterker wordt en kinderen weer ervaren:

En soms is dat precies wat een kind nodig heeft om weer met vertrouwen te durven leren.

“Ik kan het wél.”

Verdrietig meisje van een jaar of 8 dat met haar hoofd in haar handen leunt.

Over de schrijver

Faalangst door school en leren oplossen - waarom sommige kinderen vastlopen terwijl ze wél slim zijn

“Ik kan het gewoon niet.”

Soms zegt een kind dat hardop.
Soms zie je het alleen in de ogen.

Een rekensom die eerst nog lukte, ineens blokkeren. Huilen bij huiswerk. Boos worden om iets kleins. Buikpijn op zondagavond. Of een kind dat steeds vaker zegt dat school “saai” is, terwijl je diep vanbinnen voelt dat er veel meer in zit.

“Ik kan het gewoon niet.”

Soms zegt een kind dat hardop.
Soms zie je het alleen in de ogen.

Een rekensom die eerst nog lukte, ineens blokkeren. Huilen bij huiswerk. Boos worden om iets kleins. Buikpijn op zondagavond. Of een kind dat steeds vaker zegt dat school “saai” is, terwijl je diep vanbinnen voelt dat er veel meer in zit.

Veel ouders zoeken naar manieren om faalangst door school en leren op te lossen, maar krijgen vooral adviezen als:

  • meer oefenen
  • strenger plannen
  • extra herhalen
  • of een onderzoekstraject starten

Maar wat als het probleem niet zit in motivatie of intelligentie?

Wat als een kind vooral is vastgelopen omdat de manier van leren niet past?
Want kinderen die anders leren, ontwikkelen vaak niet als eerste een leerprobleem. Ze ontwikkelen onzekerheid.

En zodra een kind het vertrouwen verliest dat het kán leren, ontstaat er iets groters dan een achterstand.

Dan ontstaat faalangst.

Wat is faalangst door school eigenlijk?

Faalangst ontstaat niet zomaar.

Een kind wordt meestal niet wakker met het idee:
“Vandaag ga ik twijfelen aan mezelf.”

Faalangst groeit langzaam.

Door ervaringen.
Door herhaling.
Door steeds opnieuw merken dat iets niet lukt zoals het “zou moeten”.

Wanneer gezonde spanning omslaat in blokkeren

Een beetje spanning is normaal. Iedereen vindt toetsen of moeilijke opdrachten soms spannend.

Maar bij kinderen die vastlopen op school gebeurt iets anders.

Zij raken niet alleen gespannen vóór een taak. Ze raken het vertrouwen kwijt tijdens het leren zelf.

Bijvoorbeeld:

“Ik weet het antwoord eigenlijk wel… maar ineens ben ik alles kwijt.”

Of:

“Ik durf niks meer te zeggen in de klas, straks is het fout.”

Dat is geen luiheid.
Dat is een brein dat in de stress schiet.

En stress blokkeert leren.

Waarom faalangst vaak verkeerd wordt begrepen

Veel kinderen met faalangst lijken ongemotiveerd.

Ze stellen uit.
Ze dromen weg.
Ze zeggen dat ze geen zin hebben.

Maar vaak beschermen ze zichzelf. Want als je vaak hebt ervaren dat iets mislukt, wordt vermijden veiliger dan proberen.

Dus een kind zegt:

“Ik wil het niet doen.”

Terwijl het eigenlijk voelt:

“Wat als het weer mislukt?”

Waarom sommige slimme kinderen toch vastlopen op school

Dit is misschien wel het pijnlijkste voor ouders:

Je ziet hoe slim je kind is.
Hoe creatief.
Hoe gevoelig.
Hoe snel het verbanden legt.

En toch lukt school niet.

Het verschil tussen slim zijn en passend leren

Veel kinderen die vastlopen, leren niet stap voor stap.

Ze denken in beelden.
In verbanden.
In overzicht.

Maar het onderwijs vraagt vaak iets anders:

  • auditief onthouden
  • herhalen
  • automatiseren via vaste routes
  • en lineair werken

Daardoor ontstaat een mismatch.
Niet omdat het kind niet slim genoeg is, maar omdat het leerproces niet aansluit.

En als een kind jarenlang ervaart dat het ondanks inzet toch fouten blijft maken, ontstaat onzekerheid.

Daar begint vaak de echte schade.

Waarom extra oefenen vaak averechts werkt

Veel ouders krijgen het advies om méér te oefenen.
Logisch bedoeld. Maar als het fundament niet stevig is, vergroot extra druk vaak juist de blokkade.

Vergelijk het met een huis.
Als de fundering scheef staat, helpt harder bouwen niet.
Dan moet je eerst terug naar de basis.

Daarom kan het helpen om eerst te begrijpen hoe leren eigenlijk werkt. In dit artikel over het belang van een stevig leerfundament wordt dat helder uitgelegd:

Als het fundament wankelt

Het effect van steeds opnieuw falen

Kinderen trekken conclusies over zichzelf. Niet alleen over school, maar over wie ze zijn.

Bijvoorbeeld:

  • “Ik ben dom.”
  • “Iedereen kan dit behalve ik.”
  • “Ik moet harder werken dan anderen.”
  • “Ik doe alles fout.”

En hoe vaker een kind dat denkt, hoe moeilijker leren wordt.

Want leren vraagt veiligheid, niet voortdurende spanning.

Hoe ontstaat faalangst door school en leren?

Om faalangst door school en leren op te lossen, moeten we eerst begrijpen waar die angst vandaan komt.

Want faalangst is meestal geen op zichzelf staand probleem. Het is vaak een gevolg.

De rol van automatiseren en overdenken

Sommige kinderen blijven tijdens het leren nadenken over iedere stap.

Bij lezen.
Bij spelling.
Bij rekenen.

Daardoor kost alles enorm veel energie.

Waar andere kinderen automatisch reageren, blijven zij analyseren. Dat zorgt voor vertraging, onzekerheid en stress.

Vooral slimme, gevoelsmatig ingestelde kinderen kunnen hier last van hebben.
Zij begrijpen vaak méér dan zichtbaar is, maar raken juist vast in het overdenken.

Daarom is automatiseren zo belangrijk.
Niet als trucje, maar om ruimte in het hoofd vrij te maken.

In dit artikel over hoogbegaafde kinderen en automatiseren lees je daar meer over:

Hoe help je hoogbegaafde kinderen automatiseren?

Waarom visueel ingestelde kinderen sneller afhaken

Veel kinderen met faalangst zijn niet zwak.

Ze zijn vaak juist sterk in:

  • creatief denken
  • verbanden zien
  • voelen
  • visualiseren
  • oplossingen bedenken

Maar op school worden die kwaliteiten niet altijd herkend.

Dus een kind leert:

“Mijn manier van denken klopt niet.”

En zodra een kind zichzelf gaat aanpassen aan een systeem dat niet past, raakt het uitgeput.

Wat stress doet met leren en onthouden

Stress zet het brein in overlevingsstand.

Dan gebeurt er iets opvallends:

  • kennis verdwijnt ineens
  • concentratie daalt
  • fouten nemen toe
  • automatiseren lukt slechter

Dus hoe meer druk een kind voelt, hoe moeilijker leren wordt.

En dan ontstaat een vicieuze cirkel:

falen → stress → blokkeren → nóg meer falen.

Signalen dat jouw kind faalangst door school ontwikkelt

Soms zie je het meteen. Soms juist helemaal niet.

Want sommige kinderen worden stil.
Andere juist boos of druk.

Buikpijn, boosheid of uitstelgedrag

Veel voorkomende signalen:

  • buikpijn voor school
  • uitstelgedrag
  • snel boos worden
  • perfectionisme
  • dichtklappen bij toetsen
  • huilen tijdens huiswerk
  • extreem moe na school
  • zeggen dat school “saai” is
  • vermijden van lezen of rekenen

Vaak lijken deze signalen los van elkaar te staan.

Maar onder de oppervlakte zit regelmatig dezelfde angst:

“Straks lukt het weer niet.”

“Ik ben dom” – negatieve zelfspraak herkennen

Dit zijn de zinnen die ouders vaak raken:

  • “Ik kan niks.”
  • “Iedereen is slimmer.”
  • “Ik wil niet meer naar school.”
  • “Waarom lukt het anderen wel?”
  • “Ik doe toch alles fout.”

Moraal van dit verhaal?

Een kind dat zo praat, heeft geen extra druk nodig.
Het heeft veiligheid nodig.

Het verschil tussen onwil en onmacht

Dit is belangrijk.

Kinderen die vastlopen worden vaak gezien als ongemotiveerd.
Maar veel van deze kinderen willen juist heel graag.

Alleen durven ze niet meer.
Of ze zijn zó moe geworden van het proberen, dat hun systeem dichtgaat.

Dus voordat we gedrag corrigeren, moeten we begrijpen wat eronder zit.

Hoe kun je faalangst door school en leren oplossen?

De vraag is dus niet alleen:

“Hoe krijgt mijn kind betere resultaten?”

De echte vraag is:

“Hoe krijgt mijn kind het vertrouwen terug dat het kán leren?”

Eerst veiligheid, daarna prestaties

Een kind leert pas goed wanneer het zich veilig voelt.

Dus niet beginnen met:

  • harder oefenen
  • meer werkbladen
  • hogere druk

Maar met:

  • rust
  • succeservaringen
  • erkenning
  • en aansluiten bij hoe een kind leert

Waarom succeservaringen essentieel zijn

Zelfvertrouwen groeit niet door complimenten alleen.

Het groeit door ervaren:

“Hé… ik kan dit dus wél.”

Dat moment verandert alles.
Daarom is het zo belangrijk om kinderen opnieuw succes te laten voelen.

Klein beginnen mag. Sterker nog: dat werkt vaak het best.

Terug naar de basis – zonder schaamte

Veel kinderen missen stukjes in hun fundament.

Maar omdat de klas doorgaat, blijven ze bouwen op iets wat eigenlijk nog niet stevig staat.

Dan helpt het enorm om terug te gaan naar de basis.
Niet als straf, maar als herstel.

Want zodra de basis sterker wordt, komt er rust.
En vanuit rust groeit motivatie weer vanzelf.

Wat ouders thuis wél kunnen doen

Checklist voor ouders:

  • Stop met voortdurend corrigeren
  • Benoem inzet in plaats van cijfers
  • Maak leren visueel waar mogelijk
  • Creëer korte succesmomenten
  • Vergelijk niet met broers, zussen of klasgenoten
  • Geef ruimte voor ontspanning
  • Vraag niet alleen “hoe ging het?”, maar ook “hoe voelde het?”
  • Kijk naar wat een kind al goed kan
  • Vermijd eindeloze discussies tijdens huiswerk
  • Zoek hulp die kijkt naar het hele kind

Waarom labels het probleem soms groter maken

Sommige ouders voelen opluchting bij een diagnose.
Eindelijk erkenning.

En dat is begrijpelijk.

Maar een label alleen lost het leerprobleem of de onzekerheid niet automatisch op.

Het verschil tussen verklaring en oplossing

Een verklaring kan helpend zijn.

Maar kinderen hebben uiteindelijk vooral behoefte aan:

  • passende begeleiding
  • succeservaringen
  • veiligheid
  • begrip
  • en een aanpak die werkt

Dus de vraag blijft altijd:

“Wat heeft dit kind nú nodig om weer vertrouwen te krijgen?”

Kijken naar het kind achter het gedrag

Geen enkel kind wil zich dom voelen.
Geen enkel kind kiest bewust voor blokkeren of falen.

Daarom helpt het om voorbij gedrag te kijken.
Niet alleen zien dát een kind vastloopt, maar begrijpen waarom.

Veelgestelde vragen over faalangst door school en leren oplossen

Kan faalangst vanzelf verdwijnen?

Soms vermindert het tijdelijk.

Maar als de oorzaak blijft bestaan, komt de onzekerheid vaak terug.
Daarom is het belangrijk om niet alleen naar gedrag te kijken, maar ook naar de manier van leren en de ervaringen van het kind.

Is mijn kind onzeker of leert het gewoon anders?

Dat kan allebei.

Veel kinderen die anders leren, worden onzeker doordat hun kwaliteiten onvoldoende aansluiten bij het schoolsysteem. Dus de onzekerheid is vaak niet het beginpunt, maar het gevolg.

Helpt meer oefenen echt?

Alleen als de aanpak past bij het kind.
Anders vergroot extra oefenen juist frustratie en stress.

Daarom is kijken naar het leerfundament belangrijker dan simpelweg méér doen.

Faalangst door school en leren oplossen begint met gezien worden

Veel kinderen lopen niet vast omdat ze niet slim genoeg zijn. Ze lopen vast omdat ze te lang geprobeerd hebben te leren op een manier die niet bij hen past.

En zodra een kind keer op keer ervaart dat het “faalt”, verdwijnt langzaam het vertrouwen.

Maar dat vertrouwen kan terugkomen.
Echt.

Wanneer een kind merkt:

  • dat het wél kan leren
  • dat fouten maken veilig is
  • dat het niet dom is
  • en dat iemand eindelijk begrijpt hoe het denkt

Dan ontstaat ruimte.

Ruimte om weer te groeien.
Ruimte om weer te proberen.
Ruimte om weer met vertrouwen naar school te gaan.

Een Kernvisiecoach kan kinderen die zijn vastgelopen helpen om het leerfundament opnieuw te verstevigen. Niet door harder te duwen, maar door opnieuw aan te sluiten bij hoe een kind leert.

Want soms hoeft een kind niet méér zijn best te doen.

Soms heeft het vooral een andere ingang nodig. En dan blijkt ineens:

“Ik kan het dus toch.”

Een jongetje in het bos, zit op z'n hurken en kijkt wat er gebeurt iin de aarde bij de wortels van een boom

Over de schrijver

Als een kind anders leert dan school verwacht

“Het zit er wel in, maar het komt er niet uit.” Die zin hoor ik ouders zo vaak zeggen. Met een mengeling van frustratie, twijfel en zorg. Want je ziet het thuis. Je ziet hoe slim je kind is, hoe creatief, hoe scherp. En toch lijkt het op school steeds mis te gaan. Slechte toetsen, tranen bij huiswerk, een kind dat steeds stiller wordt of juist boos.

“Het zit er wel in, maar het komt er niet uit.”

Die zin hoor ik ouders zo vaak zeggen. Met een mengeling van frustratie, twijfel en zorg. Want je ziet het thuis. Je ziet hoe slim je kind is, hoe creatief, hoe scherp. En toch lijkt het op school steeds mis te gaan. Slechte toetsen, tranen bij huiswerk, een kind dat steeds stiller wordt of juist boos.

En bijna automatisch schuift de aandacht één kant op: naar het kind.

Wat gaat er mis?
Wat heeft hij nodig?
Is er iets wat we nog niet gezien hebben?

Maar misschien is dat de verkeerde vraag.

Misschien leert je kind anders dan school verwacht. En misschien ligt het probleem niet bij je kind, maar bij de situatie waarin wij, volwassenen, hem hebben geplaatst.

Je kind leert anders dan school verwacht en dat is geen toeval

Wat betekent het als een kind anders leert dan school verwacht?
Dat betekent dat het brein van je kind informatie op een andere manier verwerkt dan de schoolomgeving vraagt. Niet beter of slechter, maar op een andere manier. Wanneer de manier van uitleg, tempo en prikkels niet aansluiten, lijkt het alsof leren niet lukt, terwijl het potentieel er wél is.

Het schoolsysteem is ingericht op een bepaalde manier van leren. Stap voor stap. Instructie, herhaling, toetsen. Veel uitleg in woorden, veel stilzitten, veel prikkels tegelijk.

Voor een grote groep kinderen werkt dat prima.

Maar niet voor allemaal.

Sommige kinderen verwerken informatie anders. Ze denken in beelden. Ze voelen eerst, begrijpen later. Ze hebben overzicht nodig voordat details landen. Niet omdat ze niet kunnen leren, maar omdat hun brein een andere volgorde hanteert.

Als een kind leert anders dan school verwacht, ontstaat er wrijving. Niet meteen. Vaak sluimerend.

Het begint met kleine signalen:

  • moeite met automatiseren
  • afhaken bij klassikale uitleg
  • alles snappen, maar het niet kunnen laten zien
  • spanning bij toetsen

En voor je het weet, lijkt het alsof het kind het probleem is.

Het probleem zit niet in je kind, maar in de situatie

We zijn geneigd gedrag te verklaren door naar het individu te kijken. Dat voelt logisch. Dat is overzichtelijk.

Maar gedrag ontstaat altijd in context.

Een vergelijking die dit scherp maakt, is die van een legbatterij. Kippen die dicht op elkaar zitten, zonder ruimte, zonder natuurlijke omgeving. Die kippen gaan opvallend gedrag vertonen. Pikgedrag. Stress. Onrust.

Niemand zegt dan: “Deze kip deugt niet.”

We kijken naar de omstandigheden.

Bij kinderen doen we dat vaak anders.

Wanneer een kind leert anders dan school verwacht, reageren we op het gedrag alsof het losstaat van de omgeving. Terwijl dat gedrag juist een logisch antwoord is op een onnatuurlijke situatie.

Te veel prikkels.
Te weinig ruimte.
Te weinig aansluiting.

Het kind probeert zich staande te houden. En dát ziet eruit als falen.

Waarom we blijven zoeken naar wat er mis is met het kind

Het is geen onwil. Het is een systeemreflex.

Onderwijs is gebouwd op meten, vergelijken en verklaren. Als iets niet loopt, zoeken we naar een oorzaak die hanteerbaar is. En die ligt vaak bij het kind.

Voor ouders is dat verwarrend.

Je hoort dat je kind slim is.
Maar ook dat hij niet meekomt.
Dat hij meer moet oefenen.
Dat het ‘er gewoon niet uitkomt’.

En langzaam sluipt er twijfel binnen.

Ligt het aan hem?
Doen wij iets verkeerd?
Moeten we harder ingrijpen?

Terwijl de echte vraag misschien is:

Wat gebeurt er met een kind dat leert anders dan school verwacht, maar elke dag moet functioneren alsof dat verschil er niet mag zijn?

Hoe herken je dat je kind anders leert dan school verwacht?

Je herkent het vaak niet aan één groot signaal, maar aan een patroon.

Je kind leert mogelijk anders dan school verwacht als:

  • het thuis meer laat zien dan op school
  • het antwoord wel weet, maar het niet onder druk kan laten zien
  • uitleg pas landt als het overzicht heeft
  • creativiteit en inzicht groot zijn, maar schooltaken veel energie kosten
  • frustratie vooral ontstaat bij toetsen en huiswerk

Ouders zeggen dan vaak:
“Hij kan het wel, maar niet op deze manier.”

En dat klopt.

Een kind leert anders dan school verwacht wanneer de manier van aanbieden niet aansluit bij hoe informatie vanzelf verwerkt wordt. Dat heeft niets te maken met intelligentie. Alles met afstemming.

Een kind dat anders leert dan school verwacht, is geen kind met een probleem, maar een kind in een omgeving die niet past.

Wat er gebeurt als we stoppen met het kind repareren

Zodra de focus verschuift, verandert er iets wezenlijks.

Niet meteen in cijfers.
Maar in houding.

Kinderen die niet meer het gevoel hebben dat ze ‘stuk’ zijn, ontspannen. Ze durven weer te proberen. Ze maken fouten zonder dat hun hele zelfbeeld instort.

Dat is geen luxe.
Dat is de basis.

Leren kan pas stromen als een kind zich veilig voelt. Als er ruimte is. Als het tempo klopt.

Wanneer een kind leert anders dan school verwacht, betekent dat niet dat school fout is. Het betekent dat één vorm niet voor iedereen werkt.

En dat vraagt iets anders van ons.

Wat kun je als ouder nu doen?

Je hoeft het systeem niet meteen te veranderen.
Je hoeft geen strijd te voeren.

Wat je wél kunt doen:

  • Blijf het gedrag van je kind zien als signaal, niet als bewijs
  • Bescherm het zelfbeeld, los van prestaties
  • Stel andere vragen dan “waar gaat het mis?”
  • Vertrouw op wat je al ziet en voelt

Je kent je kind.

En als jij voelt: mijn kind leert anders dan school verwacht, dan is dat geen zwakte. Dat is informatie.

Moraal van dit verhaal

Stop met kinderen de schuld geven.

Er gaat niets mis met je kind.

Het zit erin.
Het komt er alleen anders uit.

En soms is dat precies wat een kind nodig heeft: dat er eindelijk iemand is die niet probeert hem te repareren, maar de omgeving durft te herzien.

Elk kind kan leren.
Soms alleen niet op de manier die wij ooit hebben bedacht.

Over de schrijver

Coach worden voor kinderen die vastlopen op school – zo start je als gedreven professional

We zien het steeds vaker: kinderen die slim en nieuwsgierig zijn, maar op school toch vastlopen. Ze proberen het wel, maar raken gefrustreerd, verliezen hun motivatie of ontwikkelen faalangst. Hun ouders voelen dat er meer in zit, maar weten niet hoe ze kunnen helpen. En binnen het onderwijs stuiten professionals op hun eigen grenzen.

Waarom kinderen vastlopen op school – en wat jij als coach kunt betekenen

We zien het steeds vaker: kinderen die slim en nieuwsgierig zijn, maar op school toch vastlopen. Ze proberen het wel, maar raken gefrustreerd, verliezen hun motivatie of ontwikkelen faalangst. Hun ouders voelen dat er meer in zit, maar weten niet hoe ze kunnen helpen. En binnen het onderwijs stuiten professionals op hun eigen grenzen.

Juist daar ligt de kracht van de coach die gespecialiseerd is in kinderen die vastlopen op school. Jij kijkt verder dan cijfers of methodes. Jij ziet het kind achter het gedrag en begrijpt dat leren pas lukt als het kind zich goed voelt. Als coach help je kinderen om hun zelfvertrouwen terug te vinden, inzicht te krijgen in hun manier van leren en stap voor stap weer grip te krijgen op school en op zichzelf.

Wat betekent ‘vastlopen op school’?

Vastlopen is meer dan slechte cijfers of concentratieproblemen. Het betekent dat een kind niet langer op zijn of haar eigen manier tot leren komt. De oorzaak kan liggen in de leerstijl (bijvoorbeeld visueel of gevoelsmatig leren), in perfectionisme, in faalangst of in een gebrek aan aansluiting tussen kind en onderwijsaanpak.

Meest voorkomende problemen

  • Een leerstijl die niet aansluit op het onderwijssysteem
  • Onzekerheid en faalangst
  • Overprikkeling of concentratieproblemen
  • Te veel nadruk op fouten in plaats van groei
  • Gebrek aan aandacht of motivatie

Als coach leer je deze signalen herkennen en er op een positieve, oplossingsgerichte manier mee werken. Vaak gaat dat verder dan leerstrategieën. Het is ook werken aan emoties, overtuigingen en de relatie tussen kind en omgeving. Je leert luisteren naar wat niet gezegd wordt en kijken naar wat wél werkt.

Wat houdt het in om coach te worden voor kinderen die vastlopen op school

Een coach voor kinderen die vastlopen op school is meer dan een begeleider – het is een gids, een spiegel en een veilige plek. Je helpt kinderen ontdekken hoe ze leren, denken en voelen. Je biedt handvatten om met faalangst om te gaan, leert ze zelfvertrouwen op te bouwen en stimuleert zelfstandigheid.

De rol van de coach

Je werkt vaak samen met ouders en scholen, zodat het kind zich op alle fronten gesteund voelt. Je bent degene die de vertaalslag maakt tussen wat het kind nodig heeft en wat de omgeving biedt. In veel gevallen ben jij de brug tussen kind en systeem – de stem die zegt: “Er is niets mis met dit kind, we moeten alleen anders kijken.”

Competenties en kwaliteiten

  • Empathie en geduld
  • Kennis van verschillende leerstijlen
  • Positieve communicatie
  • Zien hoe kind, gezin en school elkaar beïnvloeden
  • Oog voor groei, niet voor tekortkomingen

Een dag in het leven van een coach

Je hebt gemiddeld één tot vier sessies per dag met een kind én ouder waarin je inzicht geeft in hoe het brein werkt en waarom het leren nu niet voldoende lukt. Je neemt hen stapsgewijs mee door het leerproces, reikt nieuwe manieren aan en zorgt dat de kwartjes vallen. Kind en ouder gaan thuis oefenen met wat is aangereikt. Soms schuif je op verzoek aan bij een multidisciplinair overleg (MDO) op school om af te stemmen met leerkrachten of andere professionals. Tussendoor besteed je tijd aan voorbereiding, evaluatie en persoonlijke ontwikkeling, want als coach blijf je leren. De voldoening zit in de kleine successen: een kind dat zegt “ik snap het nu!”, een glimlach van trots of een ouder die opgelucht ademhaalt.

Opleiding en ontwikkeling – jouw stappenplan naar professioneel coach

Wil jij coach worden voor kinderen die vastlopen op school? Dan begint jouw reis met de juiste opleiding en mindset.

Stap 1: Oriëntatie en specialisatie

Bepaal waarom jij coach wilt worden. Komt het vanuit je werk in het onderwijs, je ervaring met kinderen, of misschien omdat je zelf een ouder bent van een kind dat vastliep? Die motivatie vormt jouw basis. Het helpt om jouw unieke invalshoek te benoemen: ben je de onderwijsvernieuwer, de ervaringsdeskundige of de zorgprofessional die bruggen wil slaan?

Stap 2: Kies een opleiding die bij je past

Bij onze opleiding tot coach voor kinderen die vastlopen op school krijg je precies de combinatie van kennis, praktijk en persoonlijke groei die nodig is om het verschil te maken. Je leert werken met leerstijlen, motivatie, faalangst, mindset en de verbinding tussen brein en gedrag. Denk aan:

  • Praktijkgericht leren in plaats van alleen theorie
  • Aandacht voor jouw persoonlijke ontwikkeling
  • Begeleiding door ervaren docenten of coaches
  • Een netwerk van gelijkgestemde professionals

Stap 3: Praktijkervaring en netwerk

Ga oefenen. Werk met oefenkinderen en sluit je aan bij een netwerk van coaches. Door te doen groeit je vertrouwen en ontdek je jouw unieke stijl. Een netwerk helpt niet alleen bij kennis, maar ook bij motivatie. Samen leren is krachtiger dan alleen.

Stap 4: Start je eigen coachpraktijk

Leer hoe je jezelf positioneert, hoe je jouw doelgroep bereikt en hoe je jouw verhaal vertelt zonder te ‘verkopen’. Authentieke zichtbaarheid is key. Ouders of scholen voelen direct of jouw aanpak oprecht en deskundig is. Denk aan het opzetten van een website, social media-profiel of samenwerking met scholen in de buurt.

Een extra tip: begin klein. Je hoeft niet direct een volledig gevulde praktijk te hebben. Door in het begin een paar trajecten aan te bieden, krijg je ruimte om te groeien in vertrouwen én vaardigheden. Je leert wat werkt, wat bij jou past en welke doelgroep je het meeste voldoening geeft.

Praktische tools en methodes die werken bij kinderen die vastlopen op school

Als coach gebruik je methodes die aansluiten bij visueel en gevoelsmatig leren. Denk aan:
  • Les- en leerstof visueel opslaan
  • Positieve ankertechnieken om zelfvertrouwen te versterken
  • Werkvormen die emoties en gedachten zichtbaar maken
  • Korte succeservaringen in plaats van lange opdrachten

Samen met het kind ontdek je wat wél werkt. Vaak merk je na enkele sessies al een verschil: meer rust, meer focus, meer plezier. Ook ouders zien verandering: een kind dat weer lacht, vragen stelt en met trots vertelt wat het geleerd heeft. En dat is precies de kern: leren mag weer leuk zijn.

Extra verdieping: samenwerking met school en ouders

Als coach sta je nooit op jezelf. De beste resultaten ontstaan wanneer je samenwerkt met de mensen die dagelijks met het kind omgaan. Door ouders te betrekken en leerkrachten te informeren over jouw aanpak, ontstaat er een gezamenlijke taal. Jij brengt perspectief en hoop, school biedt structuur, en ouders geven vertrouwen – samen vormt dat de basis voor groei.

Een goede coach weet bovendien hoe belangrijk communicatie is. Je hoeft geen wonderen te beloven, maar door eerlijk te delen wat je ziet en welke vooruitgang er is, voelen ouders zich gehoord en gesteund.

Succesverhaal van professional tot coach voor kinderen die vastlopen op school

Janine werkte jaren als leerkracht in het basisonderwijs. Ze zag dagelijks kinderen afhaken. Na haar opleiding tot coach voor kinderen die vastlopen op school, begon ze haar eigen praktijk. Een van haar eerste kinderen, Daan, had al drie verschillende begeleiders gehad zonder resultaat. Met visuele oefeningen, rust en vertrouwen leerde Daan zijn eigen manier van leren kennen. Na drie maanden zei hij: “Ik vind leren weer leuk.” Voor Janine was dat het moment waarop ze wist: dit is waarom ik coach ben geworden.

Vandaag begeleidt Janine tientallen kinderen per jaar. Ze werkt samen met scholen en ouders, organiseert informatieavonden en coacht zelfs beginnende collega’s. Haar aanpak is een combinatie van kennis, intuïtie en menselijkheid en dat is precies wat kinderen nodig hebben. Haar verhaal inspireert steeds meer professionals om de stap te zetten: om niet langer machteloos toe te kijken, maar echt verschil te maken. En het mooiste? Ze krijgt regelmatig een berichtje van haar oud-coachees die haar vertellen hoe goed het nu met ze gaat.

Wil je meer inspiratie uit de praktijk? Lees dan het blog Ervaringen van een Kernvisiecoach. Nathanja Boon deelt daarin hoe ze haar pad als coach heeft bewandeld, wat haar drijft en welke inzichten ze onderweg opdeed bij het begeleiden van kinderen die anders leren.

Veelgestelde vragen

Kan ik deze opleiding volgen naast mijn huidige baan?
Ja. De opleiding is modulair opgebouwd en goed te combineren met een werk- of gezinsleven. Je kunt in je eigen tempo leren en direct toepassen wat je leert.

Wat kost het om coach te worden voor kinderen die vastlopen op school?
Gemiddeld tussen de €850 en €2000, afhankelijk van de modules die je kiest. Veel professionals verdienen dit snel terug doordat ze hun praktijk uitbreiden of specialiseren.

Heb ik een vooropleiding nodig?
Een achtergrond in onderwijs, zorg of coaching is handig, maar geen must. Wat belangrijker is: de juiste mindset, nieuwsgierigheid en een groot hart voor kinderen.

Hoe snel kan ik starten?
De opleiding start meerdere keren per jaar. Na afronding kun je direct beginnen als zelfstandig coach of binnen een school. Binnen enkele maanden kun je al echte resultaten boeken bij kinderen.

Jouw eerste stap – word coach voor kinderen die vastlopen op school

Kinderen die vastlopen op school hebben professionals nodig die verder kijken dan cijfers. Mensen die geloven in mogelijkheden in plaats van beperkingen. Als jij dat bent, is dit jouw moment.

Meld je vandaag nog aan voor het gratis webinar voor professionals over de opleiding tot Kernvisiecoach voor kinderen die vastlopen op school. Ontdek hoe jij met kennis, warmte en vertrouwen het verschil kunt maken. Je krijgt inzicht in de visie, de methode en de resultaten die anderen al bereikten.

Want elk kind kan leren. Soms alleen op een andere manier.

En misschien is dat precies waar jouw toekomst als coach begint: bij het vertrouwen dat het wél kan. En dat jij degene bent die dat verschil mag maken.

Over de schrijver

Dyslexie en comorbiditeit: waarom wij nooit uitsloten

Dyslexie en comorbiditeit horen vaak samen. Wij zien geen stoornissen maar unieke eigenschappen. Ontdek onze aanpak en hoe kinderen écht leren groeien.

Tot 2022 gold er in Nederland een bijzonder criterium om in aanmerking te komen voor vergoede dyslexiezorg: enkelvoudigheid.
Oftewel: alleen kinderen die alleen dyslexie hadden, kwamen in aanmerking voor vergoeding. Zodra er ook sprake was van AD(H)D, autisme of hoogbegaafdheid, viel de deur dicht.

Wij hebben het altijd anders gezien. Want wie met kinderen werkt, weet: dyslexie staat zelden op zichzelf. Vaak zie je het samengaan met andere eigenschappen. Geen stoornissen, maar karaktereigenschappen die sterker ontwikkeld zijn dan gemiddeld.

Daarom hebben wij kinderen met comorbiditeit ook nooit uitgesloten. Het hoorde er gewoon bij.

“Ik kan je alleen helpen als je geen problemen hebt”

Afgelopen week sprak ik een jongeman van begin 20. Basisschool niet afgemaakt. Van de ene hulpverlener naar de andere gestuurd.

Zijn pijnlijke conclusie?
“Ik kan je alleen helpen als je geen problemen hebt.”

Stel je dat eens voor. Je loopt met je rugzak vol ervaringen een praktijk binnen, en iemand zegt eigenlijk: “Sorry, je rugzak is te zwaar, ik help je pas als hij leeg is.”
En precies dáár gaat het mis.

Kinderen die op meerdere vlakken uitdagingen ervaren, hebben niet méér hokjes nodig, maar juist iemand die verder kijkt.

Hoe klein het begint

Stel je een kind voor dat zich in de klas niet op z’n plek voelt.
De drukte is te veel. De leerkracht – ook overprikkeld – schiet uit zijn slof.

In alle rumoer glipt er net dat ene stukje uitleg voorbij.
Een halve zin, een belangrijk detail … weg.
En voor je het weet mist het kind de aansluiting en raakt het achterop.

Het kind trekt zich terug. Resultaten lopen terug.
De school trekt aan de bel.
“Wat is er aan de hand?”

En voor je het weet gaat de trein rijden: testen, protocollen, onderzoeken.
Wat klein begon, wordt groot gemaakt.

Wat kinderen écht nodig hebben

Niet nóg een etiket.
Niet nóg een stapel protocollen.

Maar iemand die zegt:
“Ik zie je.”
“Ik begrijp je.”
“En ik help je leren op een manier die bij jou past.”

Kinderen hebben houvast nodig, geen extra ballast.
Ze hebben iemand nodig die kijkt naar hun mogelijkheden in plaats van naar hun beperkingen.

Dat is waar wij ons dagelijks voor inzetten. In de begeleiding van kinderen én door professionals op te leiden in de Kernvisie methode. Want leren wordt pas krachtig als je kijkt naar het kind zelf, niet alleen naar het label.

Moraal van dit verhaal:
Door breder te kijken en kinderen niet uit te sluiten, voorkom je dat kleine hobbels grote problemen worden. Elk kind verdient iemand die hem of haar écht ziet.