Vroeger gingen jongens met hun vaders mee, mee op jacht. Op die manier leerden ze hoe je moest jagen. Zij leerden technieken om tot een goede opbrengst te komen.

Veel later leerden jongens een vak in de praktijk. Door opdrachten uit te voeren deden zij kennis en vaardigheden op. Naarmate de opdrachten ingewikkelder werden, werden hun kennis en vaardigheden groter en werden ze uiteindelijk zelf weer leermeester.

Meisjes deden met hun moeder mee en zorgden voor de huishouding. Ze leerden maaltijden bereiden, kleding maken en het zorgen voor mensen.

Zowel jongens als meisjes leerden, door af te kijken en zelf uit te voeren. Op deze wijze werd kennis overgedragen. In de praktijk uitvoeren en daarvan leren. Er waren geen schoolboeken, waarin eerst alles theoretisch uiteen werd gezet. Eigenlijk is dit dus de natuurlijke manier waarop kennis wordt overgedragen.

Kijken we naar het huidige onderwijs, dan raken wij steeds verder weg van deze natuurlijke manier van leren. We zien het met open ogen gebeuren.

Kinderen gaan op hun vierde jaar naar school en volgen twee kleuterjaren. Twee leuke schooljaren waarin het meeste mag, maar niets hoeft. Heeft een kind interesse om letters of cijfers te maken dan mag het kind dat.

Zodra het kind in groep drie belandt, dan is het uit met de vrijheid en moét het kind gaan leren. Ineens zien we dat kinderen uit beginnen te vallen, dan wel school niet meer zo leuk vinden, omdat vanaf nu alles van mógen naar móeten gaat. Het kind moet woordjes gaan leren en spellingsregels onthouden, cijfers leren en rekensommen maken.

80% van de kinderen volgt in meer of mindere mate het schoolsysteem, maar zo’n 20% komt in de problemen.

Deze 20% worden betiteld als kinderen met een onvermogen om te kunnen leren. Ze worden extra gevolgd, getoetst, gediagnosticeerd en krijgen etiketten als dyslexie, dyscalculie, add, adhd, nld, pddnos etc. Allemaal labels die aangeven, dat ze niet aansluiten bij de leerverwachting van school. Maar kijk je naar deze kinderen, dan zie je dat zij stuk voor stuk uitstekend praktisch bezig kunnen zijn. Dingen praktisch uit kunnen voeren. Eigenlijk staan deze kinderen dus dicht bij de natuurlijke manier van leren. Wie zijn wij om te vertellen dat deze kinderen afwijken?

Begrijp me goed, ik ben niet tegen het onderwijs, het brengt ons wetenschap, die wij in de praktijk niet altijd ontdekt zouden hebben. Bovendien zijn we in staat om kennis vast te leggen, terwijl deze vroeger met de ervaringsdeskundige het graf in ging.

Misschien moeten we meer nadenken over een wijze waarop we deze kinderen wel kunnen laten leren, zodat zij zich op school wel geaccepteerd voelen.

Bijna 60% van de mensen heeft de neiging om meer praktisch te leren dan theoretisch. Deze groep rechtsgeoriënteerde denkers (met een voorkeur om meer de rechterhersenhelft te gebruiken) is voor onze maatschappij van groot belang. Dit zijn de mensen die staat zijn om wetenschappelijke theorieën om te zetten naar praktische toepasbaarheid.

De verdergaande digitalisering van het onderwijs (cito-toetsen, leerlingbegeleidingsystemen, verslaglegging aan onderwijsinspectie, prestatieverantwoording van scholen) leidt ertoe, dat schooluitvallers in aantal sterk toenemen. Dat komt niet door het onvermogen van de leerlingen, maar door de steeds groter wordende afstand tussen onderwijs en de natuurlijke leerwijze van de mens!

 

Laat een reactie achter

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met een *.


Klik op de voorbeeldknop om jouw bijdrage te controleren op fouten, daarna kan je de code uit de afbeelding (deze verschijnt automatisch) invoeren en op de verzendknop klikken.